Uitbreiding NAVO is boetedoening

Een veto: dat moet het Nederlands antwoord zijn op het plan de NAVO uit te breiden met een aantal Midden- en Oosteuropese landen. Dat meent althans de heer Feddema op 2 november in deze krant. Hij haalt daarvoor een aantal argumenten aan. Zo zal het Rusland in de gordijnen jagen en dat terwijl de Middeneuropese landen niet worden bedreigd.

Voorts is het een duur plan. “Er zijn schattingen dat er alleen al 50 miljard dollar nodig zijn om de Poolse militaire infrastructuur aan de NAVO-standaard aan te passen”. Weggegooid geld, dat voor het Westen geen enkel militair-strategisch nut heeft, meent Feddema. Bedrijfsblindheid kan het niet zijn, de Russen hebben al lang genoeg gewaarschuwd. “Solidariteit met Midden-Europa lijkt een adequaat argument om de middengroepen en de voor solidariteit gevoelige progressieve krachten mee te krijgen voor het expansieplan.” Die 'solidariteit' is echter niet geloofwaardig, “omdat dit een motie van wantrouwen impliceert jegens Rusland' - en aanschuiven bij de EU belangrijker is. Neen: “Er lijkt slechts één conclusie mogelijk; er is bij dit expansieplan geen sprake van bedrijfsblindheid, noch van solidariteit, maar louter van arrogantie van de macht.” Vandaar Feddema's oproep aan Nederland de rug te rechten en gebruik te maken van zijn vetorecht in de NAVO.

Het plan de NAVO oostwaarts uit te breiden kent voor- en tegenstanders. Daar is niets bijzonders aan. Het is een complex vraagstuk en de uitkomst is ongewis. Dat geldt ook voor de kosten. De schattingen daarvan lopen, afhankelijk van de gekozen opties zoals verbetering van de verbindingen en luchtverdediging tot voorwaartse opstelling van eenheden, uiteen van 10 tot 50 miljard dollar die Feddema alleen al voor aanpassing van de Poolse infrastructuur aan de NAVO-normen nodig acht.

Stuitender is zijn poging de solidariteit met Midden-Europa af te doen als propaganda van de NAVO om “de middengroepen en de voor solidariteit gevoelige progressieve krachten mee te krijgen voor het expansieplan”. Dit is de werkelijkheid op zijn kop gezet. Leiders van de Midden- en Oosteuropese landen hebben sinds de opheffing van het Warschaupact op 31 maart 1991 regelmatig gepleit voor opname in het Atlantisch Bondgenootschap. Niet omdat ze zich op dit moment in militair opzicht belaagd voelen, maar omdat ze tot een alliantie van democratische staten willen behoren. Sommigen opperden deze gedachte al eerder. Zoals president Václav Havel tien dagen vóór het formeel uiteenvallen van het pact in een toespraak tot de NAVO-raad opmerkte, was de communistische machtsovername in Tsjechoslowakije in maart 1948 mede een impuls voor de oprichting van de NAVO.

Het Noordatlantische bondgenootschap is sindsdien een solide garantie voor stabiliteit, vrijheid en welvaart, voornamelijk omdat het de nadruk legt op de fundamentele rechten en vrijheden van het individu. Dat was ook een inspiratie voor onze burgers, aldus Havel. “De wil om kwaad te weerstaan was een bron van hoop voor miljoenen mensen die onder een juk moesten leven. Daarom heeft het Westen een geweldige verantwoordelijkheid. Het kan niet onverschillig staan tegenover wat er gebeurt in landen die - constant aangemoedigd door de Westerse democratieën - eindelijk het juk van de totalitaire regimes hebben afgeworpen. Het kan niet louter toezien hoe deze landen worstelen met problemen als ze hun plaats proberen te vinden in de hedendaagse wereld. Voor het Westen, met een beschaving gebaseerd op universele waarden, kan het lot van het Oosten geen zaak zijn van onverschilligheid, niet uit principiële, noch uit praktische overwegingen. Instabiliteit, armoede, tegenslag en wanorde in de landen die zich hebben bevrijd van despotische regeringen zouden het Westen net zo kunnen bedreigen als de wapenarsenalen van de despoten dat eerder deden”.

Kortom, de wens tot uitbreiding van de NAVO ging niet van het bondgenootschap uit, maar van de Europese landen van het Warschaupact. Dat had de antropoloog Feddema, lid van de Adviesraad Buitenland van GroenLinks moeten weten. Of anders hadden weldenkender 'progressieve krachten' in zijn partij hem op de dwalingen zijns weegs moeten wijzen.

Ze hadden hem ook duidelijk kunnen maken dat de NAVO er veel aan heeft gedaan deze stap niet te hoeven zetten: zoals bijvoorbeeld het instellen van een Noordatlantische Samenwerkingsraad en de Partnership for Peace programma's. Nu lijkt de kogel door de kerk. Om president Havel nogmaals letterlijk te citeren: “Mensen en volkeren die zich moeten kwijten van zware verantwoordelijkheden aarzelen niet om elkaar bij te staan bij het hooghouden van de waarden die hun het dierbaarst zijn.”

Het expansieplan van de NAVO heeft daarom niets te maken met de arrogantie van de macht, maar stoelt veeleer op de schaamte dat we in 1948 niets voor Tsjechoslowakije konden doen. Toegegeven, toen bestond het bondgenootschap nog niet. Maar wel toen op 19 december 1956 een bruut einde werd gemaakt aan de Hongaarse Opstand en op 20 augustus 1968 de Praagse Lente werd neergesabeld. Geen arrogantie van macht, eerder boetedoening voor eerdere onverschilligheid. Voor andermans hachje, welteverstaan.

    • G.C. Berkhof