Sparen voor AOW een slecht plan

Over vijftien jaar bereikt de eerste naoorlogse geboortegolf de pensioengerechtigde leeftijd. Daarna zet de vergrijzing sterk door. Tussen 2030 en 2040 zal ongeveer een kwart van de Nederlanders ouder dan 65 jaar zijn.

In de periode na 2010 dreigt de AOW-premie (nu 15,4 procent) als gevolg van de zich aftekenende vergrijzing van de bevolking te verdubbelen. Het kabinet wil het voorzienbare oplopen van de AOW-premie afremmen door een toenemend deel van de AOW-lasten uit de belastingen te dekken. Dat is natuurlijk geen echte oplossing. Het kabinet legt zich neer bij de verwachte sterke uitgavenstijging en plakt alleen een ander etiket op de rekening: belasting in plaats van premie.

Een gevolg van het kabinetsplan is overigens wel dat de lasten van het nationale basispensioen anders over de bevolking worden omgeslagen. Premie voor de AOW is op dit moment alleen verschuldigd over inkomen dat valt in de eerste schijf van het inkomstenbelastingtarief. Na gedeeltelijke 'fiscalisering' van het basispensioen wordt dit medegefinancierd ten laste van inkomen dat valt in de tweede en de derde schijf van het belastingtarief en via omzetbelasting en accijnzen. Het draagvlak voor de financiering van de AOW wordt dus breder, ook al omdat ouderen geen AOW-premie betalen, maar wel bijdragen aan het vullen van de schatkist. Als uitvloeisel van de kabinetsvoornemens wordt een deel van de oplopende AOW-lasten dus verschoven van lagere inkomens en de jongeren naar hogere inkomens en de ouderen.

Gisteren hebben de paarse fracties in de Tweede Kamer bovendien gepleit voor de vorming van een spaarpot om de toekomstige extra kosten van de AOW op te vangen. Jaarlijks zou 1 tot 1,5 miljard gulden in die pot moeten worden gestopt, eveneens via een bijdrage ten laste van de rijksbegroting. Deze 'oplossing' zet echter weinig zoden aan de dijk en dreigt daarnaast het verdere herstel van de Nederlandse economie aan te tasten. Wanneer vanaf het jaar 1998 uit de belastingen jaarlijks anderhalf miljard gulden voor de AOW wordt gereserveerd, bevat het spaarfonds, rekening houdend met de rente op het belegde vermogen, tegen het jaar 2010 ten hoogste 25 miljard gulden. Dat is in het licht van de zich aftekenende kostenstijgingen bij het basispensioen en in de gezondheidszorg weinig meer dan de spreekwoordelijke druppel op een gloeiende plaat. Maar goed, alle beetjes helpen. Toch is sparen voor de AOW een slecht idee.

Het voorstel van de paarse fracties komt namelijk in wezen neer op een ordinaire belastingverhoging met anderhalf miljard gulden per jaar. Werkenden zullen het leeuwendeel van deze lastenverzwaring moeten opbrengen. Zij gaan bij uitvoering van het paarse plan in feite twee keer betalen: naast de bestaande omslagpremie ter dekking van de lopende AOW-uitkeringen een spaarheffing voor een stukje van hun eigen toekomstige AOW. Deze dubbele heffing vergroot na 1998 het verschil tussen de loonkosten van de werkgever en het bijbehorende nettoloon (de fameuze wig). Het regeringsbeleid is er nu juist op gericht die wig verder te verkleinen. Een smallere wig maakt arbeid goedkoper, waardoor werkgevers meer mensen in dienst nemen. Bij een kleinere wig houden werknemers van een gegeven brutoloon netto meer over. Dat prikkelt vooral partners van kostwinners meer arbeid aan te bieden en harder hun best te doen. Voor zover de voorgestelde belastingverzwaring vanaf 1998 wordt afgewenteld, komen rendementen, investeringen en werkgelegenheid in het gedrang als gevolg van oplopende loonkosten.

Een ander belangrijk gevolg van de betrekkelijk bescheiden overstap op een stukje kapitaaldekking van de AOW is dat de nationale besparingen verder toenemen. Die liggen in Nederland al op een hoger niveau dan buiten de landsgrenzen het geval is. Hierdoor kent ons land een omvangrijk spaaroverschot, dat in het buitenland wordt belegd. Dit spaaroverschot zal voor 2000 toch al verdubbelen van ongeveer dertig tot meer dan zestig miljard gulden per jaar. Als gevolg van de fors toenemende besparingen en omvangrijke kapitaalexport staan de bestedingen in eigen land onder druk. De aankopen in de winkels en de werkgelegenheid in het midden- en kleinbedrijf hebben te lijden van het verder opschroeven van de nationale besparingen voor de toekomstige financiering van de AOW.

Extra sparen lijkt bescherming te bieden tegen het grootste risico dat aan omslagstelsels kleeft: de onzekerheid of toekomstige generaties bereid en in staat zijn de door voorgaande generaties gemaakte afspraken na te komen. Weigeren jongeren in de volgende eeuw de als gevolg van de vergrijzing oplopende premie op te brengen, dan gaat de AOW-uitkering langs democratische weg omlaag. Velen denken dat kapitaaldekking via een spaarpot meer zekerheid biedt. Gepensioneerden kunnen immers interen op hun bij fondsen ondergebrachte besparingen? Spaargeld is echter kwetsbaar voor inflatie. Door veel inflatie te veroorzaken kunnen latere generaties werkenden de aanspraken van ouderen uithollen, net als via een politieke beslissing tot verlaging van de AOW-uitkering.

Ten slotte lijkt niemand te beseffen dat de nadruk bij de financiering van het ouderdomspensioen na 1970 al sterk is verschoven ten gunste van kapitaaldekking. Een kwart eeuw geleden bestemden wij een achtste van ons nationale inkomen voor pensioen. Het aandeel van omslagpremies daarin was 34 procent. Rond het midden van de jaren negentig legt Nederland al bijna een vijfde van het nationale inkomen opzij voor later. Het aandeel van de omslagfinanciering is inmiddels teruggelopen tot minder dan dertig procent. Het is onjuist, zoals de paarse partijen aanbevelen, nog meer eieren in het ene mandje van de kapitaaldekking stoppen. De volgende eeuw kan opnieuw een periode met hoge inflatie brengen, die de waarde van aanwezige besparingen ernstig aantast. Dan blijkt tegelijk de kracht van het omslagstelsel: de inflatie blaast de premiegrondslag (het lopende inkomen) op, zodat de premieopbrengst ook bij een ongewijzigd tarief voldoende stijgt om gepensioneerden tegen de geldontwaarding te beschermen.

    • Flip de Kam