O moeder...o moeder...

Ik had de noodkreet gehoord. Ik kwam naar Geldrop om nog één keer de fabriek te zien. Ik schrok. Ik wist niet dat de sloper zo voortvarend te werk ging.

Zwaar materieel had de helft van het complex al in een ruïne veranderd. Imposante machines keken trots op de verwoesting neer. Het was een somber decor in de najaarsavond. De Dommel spoelde luidruchtig regenwater en vergeelde bladeren mee. Een schoorsteen rees als een zinloos monument uit het puin.

Ik kwam naar de fabriek om nog één keer Amai te zien. Acht jaar geleden had deze theatergroep hier zijn intrek genomen. Van textiel en industrie was toen allang geen sprake meer. Er heerste stilte en verval in de loodsen en gebouwen. Wind en regen hadden vrij spel. Een paar theatermakers begonnen de kapotte raampjes van de fabriekshal te herstellen. Water naar zee dragen, leek het.

Suiker van Hugo Claus was hun eerste voorstelling. Het was ijzig koud in de fabriek. De toeschouwers zaten in dekens gehuld. Er klonk een holle echo. Het rook naar olie. Stalen vaten rolden over betonnen vloeren. Acteurs leken nog eenzamer dan de personages die ze speelden. In de pauze kon je in de kantine je handen even warmen aan een glas thee. Welke idioot wilde hier spelen of op een tribune zitten toekijken?

Nieuwe voorstellingen werden voorbereid. Houten vloeren, ateliers en kleedkamers vorderden langzaam. Kachels werden gestookt met hout dat op het terrein te vinden was. Echt warm werd het nooit. Gaten in het dak werden gedicht. Er bleef altijd wel een plek waar het lekte. Acteurs opereerden als bouwvakkers in gevecht tegen het weer, erosie en verval. Elke voorstelling benutte een andere ruimte, liet de fabriek vanuit een ander perspectief zien. Bezoekers verbaasden zich in toenemende mate over de inventiviteit waarmee men de leegte te lijf ging. Hun aantal groeide. Elke voorstelling werd op den duur twee maanden achtereen gespeeld. Vaak was er lang van tevoren geen plaats meer te krijgen. Marat/de Sade, Driestuiversopera, Richard III, de Huisbewaarder, Leedvermaak als een verademing in de royale, industriële architectuur.

Ik kwam naar Amai om de laatste voorstelling te zien: de Kersentuin. Bulldozers en kranen stonden voor de nog overeind gebleven fabriekshal geparkeerd. Binnen zou je het gevaar niet vermoeden. Men dronk koffie, converseerde, begroette elkaar. Alsof het vertoon buiten weer een uitvinding was van altijd op de rand van schijn en werkelijkheid balancerende acteurs. De Kersentuin van Anton Tsjechov is immers een komedie over het failliet en de afbraak van een landgoed, in ons geval verplaatst naar de fabriek. Kijk maar: een nieuwe tijd dient zich aan in de persoon van de gladjes geklede zakenman Lopachin, een nouveau riche, wiens voorouders als lijfeigenen op het landgoed werkten. Hij stelt voor het domein te verkavelen ten behoeve van buitenhuisjes voor forensen uit de naburige stad. “Alleen dient hier wel het een en ander te worden opgeruimd”, voegt hij er achteloos aan toe. “Zo moeten bijvoorbeeld al die oude gebouwen worden gesloopt en ook dit huis, dat toch nergens meer toe dient. En die oude kersentuin moet worden omgehakt...”

“Omgehakt”, reageert de bezitster verbijsterd. “Mijn beste man, u moet me niet kwalijk nemen, maar u begrijpt er niets van. Als er in ons hele gouvernement ook maar iets interessants te vinden is, iets unieks zelfs, dan is dat toch zeker die kersentuin van ons.”

Men probeert het landgoed en de kersentuin te behouden. Maar de betrokkenen hebben geen geld en geen invloed. Ze stuiten op onbegrip en verzanden in provincialisme. Zoals de pogingen van Amai vergeefs waren om de fabriek of zelfs een gedeelte daarvan voor sloop te behoeden, zo is ook de kersentuin niet te redden. Het bezit zal geveild worden. Men kan zich alleen nog overgeven aan herinneringen of lief en leed in een programmaboekje memoreren.

Lopachin koopt het landgoed. Hij kan zijn geluk niet op. Konden zijn vader en zijn grootvader dit meebeleven! Ik kan met hem meevoelen want zijn herinneringen zijn bitter, net zoals wellicht die van de textielarbeiders die in de fabriek de kost verdienden. Maar de plannen van Lopachin zijn rampzalig. Het ontbreekt hem aan fantasie. Hij heeft geen smaak. Zijn geld dient de teneur van zijn tijd: de Kersentuin - hoe uniek ook - zal worden omgehakt en het buiten aan de rivier zal worden gesloopt ten behoeve van zomerhuisjes voor forensen, zoals AMAI en de fabriek moeten wijken voor 'urban villas' met uitzicht op de Dommel. Het is alsof Tsjechov de draak steekt met een over de kop geslagen socialisme, dat je op menselijke gronden zou toejuichen maar waarin economisch belang schaamteloos prevaleert.

Zoals in deze tijd en in het geval van Amai.

Wat de acteurs nu voor het laatst spelen, is al werkelijkheid geworden. Afbraak is onafwendbaar. Met een feest proberen de personages in het stuk wanhopig elkaar wat op te vrolijken. Dan volgt het slot, het afscheid, langdurig met omhelzingen en tranen:

“Adieu mijn lieve huis ... De winter gaat voorbij, het zal weer lente worden, maar dan zal jij er niet meer zijn, dan hebben ze jouw muren omver gehaald en ben je gesloopt. Wat hebben deze muren allemaal gezien!”

Lopachin voelt zich een ander mens. Zijn vulgariteit is niet te stuiten. Als ik na de voorstelling de acteur die deze rol vertolkte de hand schud en een orkest vrolijk het slotfeest opent, zie ik de burgemeester van Geldrop geruisloos het pand verlaten. Hij zal zich vanavond niet laten horen. En vóór de echte tranen gaan vloeien en ik het onafwendbare einde van Amai in fabriek moet meespelen, vertrek ik ook. Want de Kersentuin besluit met het geluid van de bijl die de bomen velt en wie weet wat me hier straks nog overkomt.

Terwijl ik me door een duister en gehavend landschap uit de voeten maak, realiseer ik me dat met deze laatste voorstelling de noodkreet 'Amai...' - zoals Portugese huurlingen met de dood voor ogen op het slagveld riepen ('O moeder') - is verklonken. Geldrop is zijn fabriek en theatergroep kwijt.

“Wat een achterlijkheid”, zou een van Tsjechovs personages met opgeheven hoofd zeggen. “Wij gaan op reis - en hier blijft geen levende ziel achter...”

Amai... Amai...

    • Rense Royaards