Nederlandse toestanden van toen

Geschiedenis is een debat zonder einde. Deze uitspraak van Pieter Geyl (1887-1966) biedt mij een excuus om, na mijn twee artikelen over hem (18 en 22 oktober), nog eens op deze historicus terug te komen. Wat was de aanleiding voor die twee artikelen? De Vlaamse historicus Lode Wils had Geyl een leugenaar en lasteraar genoemd, en dat klopte niet met het beeld dat ik van Geyl had.

Wils had ook “vereerders van Geyl” gelaakt wegens hun “stilzwijgen” over dit aspect van Geyls persoonlijkheid. Aangezien ikzelf, zoals ik hier op 22 oktober schreef, het discours tussen historici niet zo nauw volg, wist ik niet of dit verwijt gerechtvaardigd was. Intussen is mij gebleken dat dit misschien in 1983, toen Wils die beschuldiging lanceerde, juist was, maar dat het nu niet meer geldt.

Immers, de historici prof. H.W. von der Dunk en dr. P. van Hees hebben er inmiddels op gereageerd, in respectievelijk het Tijdschrift voor Geschiedenis (1984) en Wetenschappelijke Tijdingen (1995). Het is enigszins merkwaardig dat prof. P.B.M. Blaas, in zijn bespreking van Wils' bundel in de Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden (1966, afl. 3), Wils' kritiek op Geyl en zijn “vereerders” vermeldt zonder naar deze reacties te verwijzen en aldus de indruk wekt dat zij (nog steeds) geldig is.

De lezers van deze krant hebben intussen kennis kunnen nemen van prof. Von der Dunks reactie op mijn twee artikelen (5 november). Daarin stelt hij dat er al “sedert decennia” een debat gevoerd wordt tussen 'Leuven' (Wils' universiteit) en 'Utrecht' (de universiteit van Geyl, Von der Dunk en Van Hees), waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat Wils' verwijt aan het adres van Geyls “vereerders”, als zouden zij het stilzwijgen bewaren, al onjuist was toen hij het neerschreef. Ook Wils' bewering over Geyls “liegen” laat Von der Dunk niet onbeantwoord.

Hier zouden we het gevoeglijk bij kunnen laten, ware het niet dat ik bij het lezen van Wils' studies over het Grootnederlandisme (een vooroorlogse beweging die aanhechting van Vlaanderen bij Nederland nastreefde en waarvan Geyl een van de intellectuele voormannen was) weer getroffen werd door de waarneming hoe moeilijk het blijkbaar zelfs voor een historicus van naam - en dat is Wils - is zich helemaal in te leven in de geschiedens van een ander land.

In mijn artikel van 22 oktober had ik hem al, naar aanleiding van wat hij over het verzet in Nederland tegen het Moerdijkkanaal (tussen Antwerpen en het Hollands Diep) had geschreven, uit eigen ervaring kunnen tegenspreken wat de zogenaamde Duitsgezindheid van dat verzet betreft en ook kunnen aantonen dat de antirevolutionairen, anders dan Wils suggereerde, in meerderheid vóór het kanaal hadden gestemd.

Die antirevolutionairen zitten Wils kennelijk hoog. Zo schrijft hij dat de Grootnederlandse voorstelling van de geschiedenis - Nederland en Vlaanderen zijn, behalve staatkundig, altijd één geweest en België is een kunstmatig gedrocht van Franse makelij - “een doorwerking van het antirevolutionaire (cursivering van Wils) geschiedenisbeeld” is.

Dat kan, met een beroep op Groen van Prinsterer en zijn grote invloed op het antirevolutionaire denken, misschien met enig recht betoogd worden, maar daar kan niet uit worden afgeleid dat de antirevolutionaire Grootnederlanders, dus voor aansluiting van Vlaanderen bij Nederland waren. Daar konden zij niet voor zijn, omdat in een met Vlaanderen vergroot Nederland de rooms-katholieken de grote meerderheid zouden hebben.

Een jonger geslacht kan zich er geen voorstelling van maken dat tot in de jaren '50 bij bijna alle niet-katholieken - dus niet alleen bij antirevolutionairen - de vrees groot was dat de vruchtbaarheid van de katholieken, sterk door hun kerk gestimuleerd, ten gevolge zou hebben dat binnen afzienbare tijd Nederland in meerderheid katholiek zou zijn. Die vrees alleen al was genoeg om van het Grootnederlandisme een marginale beweging te maken, want met Vlaanderen erbij zou Nederland met één klap in meerderheid katholiek zijn.

Er moet dus een dik vraagteken gezet worden achter Wils' stelling dat de Grootnederlandse idee vanaf de Eerste Wereldoorlog “vooral doorgedrongen (was) in die politieke familie” - Wils bedoelt de 'calvinisten' - “en in de liberale”. Het was juist in die, onderling zeer verschillende, families dat de vrees voor een verroomsing van Nederland groot was. En die zouden er Vlaanderen nog bij willen hebben?

Wils spreekt in deze passage, die gaat over Geyls betwiste benoeming aan de Utrechtse universiteit, niet over de invloed van antirevolutionairen, maar van calvinisten. Hij doet dat waarschijnlijk om de invloed van de Grootnederlander F.C. Gerretson, die geen antirevolutionair, maar toen (medio jaren '30) eerder fascist was en later christelijk-historisch senator zou worden, te verklaren.

Gerretson heeft zich inderdaad beijverd voor de benoeming van zijn vriend Geyl en had toegang tot minister-president Colijn (niet omdat Gerretson eveneens antirevolutionair was, maar omdat ze elkaar kenden van de 'Bataafsche', de maatschappij waarvan Colijn directeur was geweest en Gerretson nog werknemer was).

Het gebruik van het woord calvinistisch of calvinisten om een situatie in Nederland te verklaren is hachelijk, maar in het buitenland wordt er vrijmoedig mee omgesprongen. Zo kun je in een Frans of Duits blad geen artikel over Nederland lezen of het woord wordt één of meer keren gebruikt. In Nederland reserveren we het toch hoofdzakelijk voor de orthodoxe protestanten, en zelfs voor hen kan het nauwelijks als verduidelijkende verzamelterm dienen, want ze zijn in talloze kerken en groepen verdeeld.

Natuurlijk, ook de vrijzinnig-hervormden en de remonstranten stammen, heel uit de verte, van Calvijn af. Ja, de hele Nederlandse cultuur is doordesemd van het calvinisme, zó zeer zelfs dat buitenlanders vaak vinden dat ook onze katholieken een tik van die molen hebben gekregen. Maar dat maakt het nog niet tot een hanteerbaar, verduidelijkend begrip. Het kan zelfs misverstanden doen ontstaan.

Daarmee wil ik, voor zover ik überhaupt tot oordelen bevoegd ben, niet afdoen aan de waarde van Wils' studies over een vergeten aspect van de vooroorlogse Nederlands-Belgische (of -Vlaamse) verhouding, maar slechts aantonen dat het zelfs voor een taalgenoot moeilijk is alle schakeringen in een buurland naar hun betekenis te taxeren. Ongetwijfeld geldt dit ook, zo niet sterker, voor de Nederlander die 'Belgische toestanden' wil doorgronden.