'n Haastige poëet

Ik dacht, mijn tertiaire aard kennende, het gaat wel over. Maar het gaat niet over, integendeel, het wordt steeds erger.

Was dat nou nodig?

Is het omdat de Hollanders de eind-n niet uitspreken, dat zij nu worden gestraft? Hore, kijke, leze, ete, gegete... Overal waar '-en' staat laat je de n weg. Ik heb het altijd een vooruitgang gevonden. 't Klinkt minder Duits, minder zwaar. Je spreekt eleganter, en je hebt een idee welke kant de Nederlandse taal opgaat. Maar dat de Hollanders de n niet uitspreken, daarvoor worden zij nu gestraft: wie hem niet spreken wil, moet hem maar schrijven. 'Lichte wijziging', glimlachte onze staatssecretaris.

Maar het muisjen heeft een staartjen. Ook voor mensen uit onze geboortenstreek is het er niet eenvoudiger op geworden. Ik krijg er geen hoogten van. Als ik in Amsterdam loop weet ik het wel, maar als ik de pen op papier zet, neem ik het zekeren maar voor het onzekeren, het is tamenlijk lastig geworden, met al die nieuwen regels. Waar ik mij matenloos aan erger is dat onzen taal, de mooisten taal die er is, zo weinig subtiel, zo liefdenloos is behandeld. Ik wil best het Hollands schrijven, maar dan op de ouden wijzen. Dit is toch een afschuwenlijk gezicht? We gaan er dagenlijks mee om. Hoe meer regels, des te meer fouten je maakt, uiteindenlijk. En buitenlanders vinden daarin hoogstwaarschijndenlijk een geldig excuus om onzen taal niet meer te leren.

De Friezen, die pakke 't better oan. Dy kinne yn in brief skriuwe al wat se te skriuwen ha. At se gjin n útsprekke, dan stiet 'r gjin n en at 'r in subtyle reden is de n wol út te sprekken, dan stiet er ien. Konsekwint. Soks docht in Friis sûnder neitinke, of: sûnder derby nei te tinken. Twee infinitieven, een mét en een zónder eind-n, die ook een vreemdeling uit elkaar kan houden eenvoudig door goed te luisteren. Een subtiliteit om jaloers op te wezen.

Wij Nederlanders - althans de schoolmeesters onder ons - denken altijd dat wij een héél moeilijke taal hebben, die geen vreemdeling goed leren kan en daarom laten we (wie zijn toch we?) een aantal betaalde fantasten, die niet worden gehinderd door enig muzikaal taalgevoel, een paar regels toevoegen die niet logisch zijn, zodat het Nederlands zijn eigen profetie vervult, nóg moeilijker wordt en we daar weer uitzonderingen op moeten verzinnen via cryptogrammen als: 'het eerste deel is een dierennaam en het tweede deel is een plantkundige aanduiding', of 'het eerste deel is een lichaamsdeel en het geheel is een versteende samenstelling'...

Dit is een column, op de Achterpagina. Het veronderstelt te zijn: een leuk, ietwat onthecht stukje. Maar hoe langer ik er over nadenk, over die n, hoe minder onthecht ik ben. Ik zie hem almaar voor me, in de geur van een nachtmerrie: onze staatssecretaris, geïnterviewd terwijl hij zijn tas pakte: dat, inderdaad, de spelling een tikje veranderd was. Niet de moeite waard, glimlachte hij, een kleinigheid. En dat glimlachje moest ons geruststellen. Hij keek op zijn horloge en weg was hij, naar het volgende karwei.

Terwijl we even niet opletten, werd daar op een middag - de handtekening was snel gezet, een ogenblik van onbedachtzaamheid - onze taal een wonderlijke injectie toegediend. Op allerlei onvermoede plaatsen een n schrijven, in het bijzonder daar waar je hem niet hoort. Waar niemand hem hoort, zelfs Groningers niet - daar zijn wij nu 'verplicht' (volgens onze klerken en jongste bediendes, onze 'meisjes', die onze teksten, artikelen, romans, gedichten 'corrigeren') een n te schrijven. Onze lelijkste letter! Terwijl we even niet opletten, kreeg onze taal daar een houw over z'n gezicht waarvan het litteken nog eeuwenlang te zien zal zijn.

Wanneer onze staatssecretaris, op wie ik altijd een beetje trots was - nietwaar, een dichter! - allang onder de groene zoden ligt en de omroepen liggen daarnaast, niemand weet nog wat een 'omroep' is, en het hoger onderwijs is een geheel andere kant opgegaan dan wélke politicus ook met zijn beleid heeft kunnen voorzien, alle beleid is opgegaan in de wind - dan kunnen onze verre nazaten nog genieten van het enige dat de haastige poëet heeft nagelaten: een spelling die niet deugt.

Gatverdammen.

    • Gerrit Krol