Loonstijging minder vaak gevolg van CAO

ROTTERDAM, 12 NOV. Werknemers hebben hun loonstijging steeds minder vaak te danken aan CAO-afspraken. Vorig jaar kregen werknemers gemiddeld 3,6 procent extra salaris.

Eén procent hadden ze te danken aan collectieve afspraken over loonsverhoging, de overige 2,6 procent vloeide voort uit bijvoorbeeld promoties of vaste periodieken. Dat blijkt uit het rapport 'Arbeidsvoorwaardenontwikkeling in 1995' van de Arbeidsinspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dat rapport bevat de resultaten van het onderzoek naar de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden in 1995 van werknemers bij het bedrijfsleven en in dienst bij de overheid.

De geringe invloed van CAO-afspraken op loonsverhogingen hangt volgens de onderzoekers van Arbeidsinspectie samen met het door de vakbeweging gepropageerde loonmatigingsbeleid. Als gevolg daarvan winnen andere elementen, zoals periodieken (waarvoor de afspraken trouwens ook veelal in een CAO zijn opgenomen) automatisch aan gewicht. In 1993 werd de gemiddelde loonsverhoging voor 60 procent bepaald door CAO-afspraken; in 1995 was dat aandeel teruggelopen tot 28 procent. Vorig jaar stegen de uurlonen van werknemers met een CAO evenveel als die van werknemers zonder CAO.

De gemiddelde loonstijging van 3,6 procent in 1995 geldt alleen voor werknemers die vorig jaar niet van baan zijn veranderd.

Wanneer rekening wordt gehouden met in- en uitstroom op de arbeidsmarkt daalt de gemiddelde stijging van het brutoloon naar 2 procent. Dat komt volgens Arbeidsinspectie omdat relatief goedkope werknemers (zoals schoolverlaters) voor het eerst aan de slag komen, terwijl relatief dure pensioen- en VUT-gerechtigden de arbeidsmarkt verlaten.