Defensieve politiek nekt publieke omroep

De plannen van het kabinet met de publieke omroep munten uit door vaagheid, aldus Raymond van den Boogaard. Ze kunnen net zo goed uitdraaien op een revolutie als een restauratie van het bestaande publieke bestel.

Het is natuurlijk mogelijk dat achter de jongste regeringsvoorstellen inzake de toekomst van de publieke omroep een sluipende revolutie schuilgaat, die ervoor zorgt dat een publieke omroep verrijst die beter dan de huidige in staat is een aantal maatschappelijke opdrachten te vervullen: hoogwaardige nieuws- en informatievoorziening, educatie en cultuurverspreiding zonder winstoogmerk - zaken, kortom, die de overheid van een beschaafd land niet zonder meer geheel aan de commercie kan overlaten.

In dat geval getuigen de voorstellen die staatssecrtaris A. Nuis de afgelopen weken heeft ontvouwd van een ragfijne strategie. Want de schets van de publieke omroep na het jaar 2000, zoals die vrijdag werd vervat in een standpunt van het kabinet kon nauwelijks vager. We vernemen eigenlijk alleen iets concreets over de bestuurlijke verandering, zoals het kabinet die nog voor het jaar 2000 denkt te realiseren. In deze eerste fase, nog tijdens de lopende concessie van de huidige publieke omroepen, wordt hun een deel van hun macht ontnomen, ten gunste van door de overheid te benoemen professionele bestuurders.

De suggestie is dat deze maatregelen het voorspel zijn tot de echte coup: de 'concessiewet' waarin de toekomst van de publieke omroep na het jaar 2000 wordt geregeld. Daarin, kan men zich voorstellen, verschrompelen de traditionele omroepen tot onbeduidende produktiecellen binnen één grote, professionele omroeporganisatie die - anders dan de huidige - niet meer in de eerste plaats de uitdrukking is van een bepaald vergadercircuit en een verdwijnend, verzuild maatschappijmodel.

Dit alles is mogelijk en denkbaar. Maar wie het vrijdag verschenen standpunt van de regering inzake het rapport van de commissie-Ververs nauwkeurig leest, wordt getroffen door de vaagheid ervan. Er kan eigenlijk van alles schuil gaan achter de hooggestemde zinnen: een revolutie zogoed als een restauratie van het bestaande publieke bestel.

De commissie-Ververs, van wie eerder dit jaar een ingrijpend hervormingsvoorstel werd verwacht, durfde toen puntje bij paaltje kwam geen fundamentele hervorming aan, en luisterde de bestaande structuren op met omroepverkiezingen. Deze onzalige gedachte heeft het kabinet gelukkig niet overgenomen, maar het hult zich tegelijkertijd in nevelen ten aanzien van een groot aantal vragen waarop de commissie-Ververs tenminste nog naar een antwoord had gezocht. Hoe zal de bestaande zendtijd worden verdeeld over de omroepen, hoeveel publieke radio- en televisienetten zijn wenselijk? Hoe zal de financiering worden geregeld?

Het moet gezegd dat de geruststellende woorden richting Hilversum die staatssecretaris Nuis afgelopen weekeinde in tal van media liet horen, niet tot optimisme stemmen. Aan het dogma van de 'pluriformiteit', waarachter de verzuilde omroep graag haar belangen verdedigt, werd door de staatssecretaris uitvoerig lippendienst bewezen. De EO mag blijven evangeliseren, het Hindoe-geluid moet gehoord blijven worden. De verscheidenheid, aldus Nuis, moet bewaard blijven.

Daarmee wordt dan in de publieke omroep een cultureel model behouden, dat overal elders in de maatschappij - van krantenwereld tot hockeyvereniging - reeds lang uit het zicht is verdwenen. Dat zo'n bureaucratisch vormgegeven pluriformiteit een element zou kunnen zijn van een publiek bestel dat met zijn tijd meegaat, is niet zonder meer duidelijk.

En er zijn nog meer bedenkelijke geluiden: de staatssecretaris hoopt, verwijzend naar de verwachte toename in het aantal media en communicatiemiddelen - dat het publieke bestel na 2000 als “een rustpunt voor surfers en zappers” kan fungeren. Deze verwijzing naar veilige havens - men ziet het huisgezin al onder het genot van een kopje thee knus voor de buis geschaard - geeft ernstig te denken. De rust van het graf lijkt al helemaal geen basis voor de publieke omroep van de toekomst.

Professionaliteit op het gebied van bedrijfsleiding is een kennelijk onomstreden waarde, die de regering met open vizier verdedigt. Maar de gedachte dat ook bij het maken van de televisieprogramma's zelf professionaliteit belangrijker zou kunnen zijn dan gezindheid, is kennelijk nog steeds uit den boze, en kan slechts besmuikt worden verwoord. Want dan weerklinkt onmiddellijk het verwijt van 'staatsomroep', waartegen Nuis zich nadrukkelijk verdedigt.

De bestaande omroepen, die in de nieuwe conceptie 'deelredacties' zouden moeten zijn die voornamelijk programma's produceren, zijn reeds lang verworden tot bureaucratische instanties die voor creatieve ideeën veelal een beroep doen op externe, commerciële produktiebedrijven. Het kabinet is dat kennelijk ontgaan. Het is trouwens helemaal merkwaardig dat over de toekomst van de Nederlandse audiovisuele industrie in zijn totaliteit met geen woord gerept wordt, als het om de toekomst van de publieke omroep gaat. Het tekent de defensieve denktrant, waarin deze plannen worden vervaardigd.

Nuis' voorstellen hebben ontegenzeggelijk de verdienste dat, anders dan in het verleden, de bestaande publieke omroep niet bij voorbaat carte blanche en vertrouwen krijgt. De praktijk van vele decennia noopt echter tot pessimisme: de vast in de politiek verankerde omroepbelangen redden keer op keer het archaïsche Nederlandse omroepbestel, tegen alle overwegingen van doelmatigheid en het weglopen van meer dan de helft van het publiek in.

We zullen zien in hoeverre, na het bestel zelf, ook de politieke steun eraan aan slijtage onderhevig is. De staatssecretaris hanteert deze slijtage als stok achter de deur en zinspeelt op de omroepkwestie als thema bij de eerstvolgende Kamerverkiezingen.

Dat Hilversum zich bedreigd voelt, bleek vrijdagavond door het bijna doodzwijgen van het net gepubliceerde kabinets-standpunt op de publieke televisie. Meestal ziet - pluriformiteit oblige - de publieke omroep er in het geheel geen bezwaar in, zich bij de informatieverschaffing in omroepzaken te laten leiden door eigen belangen en voorkeuren.

In alle nieuws- en actualiteitenrubrieken werd vrijdagavond bijvoorbeeld juichend aandacht besteed aan de juridische overwinning van Feyenoord, die een smet vormt op de verkoop door de KNVB van de voetbalrechten aan Sport7, waarbij de tandenknarsende publieke omroep eerder dit jaar het nakijken had.

Het plan om in de toekomst nog maar één concessie te verlenen aan de publieke omroep werd slechts summier gemeld in het Journaal, en was de NOS nog niet een minuutje in het wekelijks gesprek met de (vice-)premier waard.