De voormalige avant-garde zwemt in rozig klankbad

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest. Gehoord 9/11, Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4: 15/11 20.02 uur.

Concert: Radio Symfonie Orkest o.l.v. van Sir Peter Maxwell Davies. Gehoord 10/11 Vredenburg Utrecht. Uitzending Radio 4 op nader te bepalen datum.

Na de Tweede Wereldoorlog vond een Engelse invasie plaats. Benjamin Britten was regelmatig te gast op het Holland Festival, Tippetts A Child of our Time veroverde zich een plaats bij onze oratoriumgezelschappen. Andersom vertolkte het duo Pears/Britten liederen van Piet Ketting. Maar na een enkel decennium was dat onderlinge verkeer afgelopen, afgezien van Peter Maxwell Davies' fascinerende Eight Songs for a Mad King en radicale maximalisten als Brian Ferneyhough. De laatste tijd lijkt de Engelse muziek weer in opmars.

In de Amsterdamse Matinee klonk Sir Michael Tippetts The rose lake uit 1991-1993, geïnspireerd door de doorschijnend roze gloed van een meer in Senegal. Deze resulteerde in een natuurtafereel in de Peter Schat-achtige cyclus van dageraad tot schemer. Wie dacht dat alleen sfeerclusters voorbij zouden glijden, vergiste zich. Tippett had voor het centrum een lange reeks steeds anders gestemde trommen bedacht, waar slagwerkers half struikelend langs renden.

Sfeer was er trouwens toch al nauwelijks. Daardoor stak dit absoluut niet typerende en veel te breedsprakige Tippett-stuk nog te veel in de grondverf. Maar het kon nog beroerder. Beethovens Derde pianoconcert door Olli Mustonen was roekeloos wild, in pianissimopassages zelfs mechanisch hard.

Gelukkig werd beter gemusiceerd in Carl Nielsens Vijfde symfonie, een reactie op de ervaringen van de Eerste Wereldoorlog. Bittere muziek, want aan overwinningen en een zogenaamd betere toekomst hechtte de karaktervolle componist geen enkele waarde.

De metamorfose van Tippett bleek in Utrecht niets vergeleken bij die van die andere sir: Peter Maxwell Davies met inmiddels een werkenlijst van meer dan tweehonderd composities. Van een avant-gardehouding zoals in de sublieme Eight Songs for a Mad King valt niets meer te bekennen. Het is àl Schotse volksmuziek - de componist woont op een van de Orkney-eilanden.

Caroline Mathilde (1991) is een ballet over de dochter van mad king George III. Haar geheime vriend werd onthoofd en zelf werd zij verbannen: tragiek te over. Maar afgezien van een intrigerend begin, waarin Dowlands pittige King of Denmark's Galliard in een onvervalste Ives-stijl de nevelen van een strijkersklankveld doet verscheuren, valt er verder niets opwindends meer te melden - òp was de inspiratie.

Ives-achtig is ook de wijze waarop in A Spell for Green Corne: the MacDonald Dances uit 1994 een onweer aanzwelt en de dansers, die achter de violist over de akkers lopen - hij zegent met zijn spel het gewas - alle kanten op vliegen.

De periode-Stockhausen hebben we gehad, Schönberg is achterwaarts gepasseerd en nu zijn we met componisten als Davies zo ergens tussen Sibelius en Strauss beland. Ook vroeger geharnaste avant-gardisten als Bussotti, Cerha en Kupkovic schrijven nog hoofdzakelijk voor familiefeestjes.

Niet voor niets opende het programma met een andere stormuitbeelding: die van Sibelius' ouverture The Tempest. Een zinvolle keuze vormde daarbij Sibelius' Zesde symfonie, gehoord het folkloristisch materiaal en rudimentair Palestrina-contrapunt. Het zijn de elementen die Davies de laatste jaren zo obsederen.

Het Radio Symfonie Orkest had een geduchter orkesttrainer kunnen gebruiken, maar Davies heeft als dirigent een vitale uitstraling, zijn enthousiasme werkt aanstekelijk. En naïeve plaatjesmuziek schrijft hij toch niet, want de verworvenheden van zijn radicale periode leverden hem wel degelijk een veel gevoeliger omgang met klank op dan de gemiddelde filmcomponist heeft te bieden. De hiëroglyfen van de serialiteit hadden ook zo hun bezwaarlijke kanten, maar het roze klankbad van vandaag bevat mij te veel opgeklopt schuim, een nieuwe muziekoorlog waard.

    • Ernst Vermeulen