De KNVB gaat nooit verloren

Als Staatsen geweten had wat er in zijn periode als voorzitter van de sectie betaald voetbal allemaal aan de orde zou komen en hoe de trein uit de rails zou lopen, dan had hij zich waarschijnlijk wel tweemaal bedacht om eraan te beginnen.

Laten we aannemen dat er een compromis met Feyenoord uit de bus komt en dat er een reglementsverandering komt waardoor de greep van de kleineren op de groteren weer enig houvast krijgt - is het dan opgelost? Nee, Feyenoord, Ajax en PSV ruiken hun kans en Sport7 kwijnt weg. Men heeft de interesse voor voetbal op de buis schromelijk overschat, ervan uitgaande dat iedere matige partij op elke dag van de week de gelovigen naar de voetbaltempel zou doen stromen. Het uitgangspunt van de kijker is heel eenvoudig: ik lust voetbal, maar ik wil me er niet aan overeten. Dan heeft Sport7 de denkfout gemaakt dat men een aanvankelijk verslagen tegenstander zelf weer op de been zou moeten helpen door hem een sublicentie aan te bieden. Geredeneerd vanuit Sport7 had men het contract met de KNVB tot de laatste, kleine letter moeten opsouperen. Niks later op de avond, niks hier en daar een vrije doorgang voor de concurrent, maar leven naar het principe winner takes all.

Intussen gaat de KNVB nooit verloren. Ik voorspel dat, nadat ik uitgebreid weer eens heb zitten lezen in het jubileumboek van de voetbalbond (toen nog niet koninklijk) dat naar aanleiding van het 40-jarig bestaan in 1929 is verschenen. Mooie groei, veel enthousiasme, maar grote tegenstellingen. Wist u bijvoorbeeld dat er serieus aan is gedacht om een bond voor intellectuele spelers en clubs op te richten? Toen voetbal volkssport werd, groeiden ook de tegenstellingen, maar gelukkig zijn alle categorieën bij elkaar gebleven, al herinner ik me het woord van een oud-international, dat hij bij de aanloop naar een interland nooit aan het tafeltje van Harry Denis mocht zitten. Denis was ingenieur en de verteller was sigarenboer. Vaak hebben de eersteklassers ermee gedreigd uit de bond te stappen. Ook was er ooit een prominente arts, die in woord en geschrift met stelligheid verklaarde dat sport slecht was voor een mens. Goede soldaten kreeg je er al helemaal niet door en bovendien liep de potentie terug.

Al die stormen heeft de organisatie overleefd, maar net toen het organisatorisch rustiger werd (omstreeks 1930) maakte men zich zorgen over het spelpeil. De Technische Commissie, wier leden menigmaal hoofdschuddend op de tribune vertoefden, produceerden toen een alarmerend stuk waarin de volgende zinsneden voorkwamen: “Reeds eerder hebben wij vastgelegd, dat aan het Nederlandse spelsysteem verschillende fouten kleven. Dat zich bij het merendeel van onze spelers tekortkomingen openbaren, welke dringend verbetering behoeven en waarop vanzelfsprekend onze aandacht gevestigd blijft. Verschillende onzer klassespelers schieten tekort in baltechniek, anderen weer beschikken over voldoende vaardigheid bij hun balbehandeling, maar willen dan weer te veel gaan doen en blijven daardoor in ander opzicht onder de maat. In het algemeen ziet men bij ons te veel energie verspillen en wordt te weinig aandacht besteed aan afgemeten spel, waardoor vlugge en correcte balbehandeling mogelijk zou worden. Men trapt te veel in het wilde weg, onbedachtzaam en onbesuisd. Wel getroost men zich veel moeite om den bal te krijgen, doch wanneer men dezen afgeeft, wil het al te veel voorkomen dat deze de tegenpartij bereikt.”

De overeenkomst tussen 1930 en 1996 is wellicht, dat men te veel in het wilde weg trapt. Het verschil is, dat dit in 1930 letterlijk viel te nemen en in 1996 figuurlijk.