Zij passeren hun medeliggers triomfantelijk

Kors van Bennekom: Kort Auto Nieuws, 30 nov t/m 21 dec in: Showroom Citroën Nederland, Stadionplein, Amsterdam (ma t/m za, 10-17). Boekuitgave Kort Auto Nieuws: circa 15 gulden.

Theo Baart en Cary Markerink: De Snelweg, t/m 5 januari, Kunsthal Rotterdam (010 4400301), Westzeedijk 341 (di t/m za 10-17, zo en feestdagen 11-17).

Boekuitgave met tekst van Tracy Metz ƒ 69,50 uitg. Arte et Architectura.

Het begon voor de lol, ergens aan het eind van de jaren vijftig. Kors van Bennekom, fotograaf, werkte in die dagen voor De Waarheid, en in de auto's van de krant (eerst een Kever, later een Wartburg) doorkruiste hij half Nederland. 'En dan kwam je natuurlijk van alles tegen'. Ongelukken bijvoorbeeld, opstoppingen en kleine rariteiten zoals een stuurs ogende mevrouw in een oldtimer of dagjesmensen luierend in de berm langs de autoweg.

Maar helemaal toeval was het ook weer niet. Autobezit, en dus autogebruik, namen explosief toe in die tijd. Afgerond 685.000 auto's reden er rond in 1960, vier keer zoveel als twintig jaar daarvoor. Twee jaar later was dat aantal al bijna verdubbeld, in 1970 kwam de grens van de drie miljoen in zicht. Dus het autoverkeer werd een onderwerp, zelfs voor De Waarheid.

Kort Auto Nieuws heette de doos waarin Van Bennekom zijn auto- en verkeerfoto's jarenlang bewaarde, en waaruit ze nu weer tevoorschijn zijn gekomen voor een tentoonstelling die vanaf eind deze maand te zien zal zijn in het Amsterdamse hoofdkantoor van Citroën Nederland. Tegelijkertijd verschijnt er een boekje, alweer onder diezelfde titel. Die uitgave zal in principe alleen bij de tentoonstelling verkrijgbaar zijn, maar het is te hopen dat Citroën er alle dealers rijkelijk van voorziet want het is een heerlijkheid.

Op een vertederende manier tonen Van Bennekoms zwartwitfoto's de chaos uit de prille jaren van het massale autotijdperk: de parkeerproblemen op de Amsterdamse grachten en de plotseling optredende files op zon- en feestdagen, de zaterdagse onderhoudsbeurt en het bermtoerisme. En natuurlijk de onvermijdelijke, soms hilarisch ogende ongelukken; twee verfomfaaide auto's die elkaar als waren ze vechtend van de trap gerold pal voor een huisdeur zijn tegengekomen, een danig ingekorte Dauphine onder toeziend oog van een oude Drentse boer op klompen, of, ook heel prachtig, een DKW-tje en een vrachtwagen tijdens een rendez-vous in een Oostzaans kanaal.

Het heeft iets blijmoedigs, al die straten die nog zo zichtbaar op een ander gebruik berekend zijn, die snelwegen gelegd uit betonplaten, die nog zo opvallend verkeersbordloze wereld.

Datzelfde geldt ook voor de in zijn boekje opgenomen tekstfragmenten uit kranten en rapporten. Scherper nog dan de foto's schetsen ze de onwennigheid met de nieuwe tijd. Ze handelen over de voors en tegens van de maximum snelheid, over de juiste aanleg van benzineverkooppunten en de (on)nodigheid van een verbod op rijden onder invloed.

De weg begint op een arena te lijken en het autorijden op het spelen van een competitie, noteert de psycholoog Steffen in 1962: “Zij passeren hun meeliggers met een triomfantelijk gezicht en beleven elke geslaagde inhaalmanoeuvre als een victorie op hun mededingers.”

Hoe de kinderen van Van Bennekoms automobilisten het eraf brengen laten Theo Baart en Cary Markerink momenteel zien in een even vrolijke als tot de verbeelding sprekende tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal.

Anders dan Van Bennekom gingen deze twee heel doelgericht te werk: met een bijna wetenschappelijke systematiek ontleedden ze het leven op en rond de snelweg onder het motto 'Wegen leiden niet alleen naar plaatsen; ze zíjn plaatsen'. In zwartwit en kleur fotografeerden ze, en in telkens wisselende formaten en stijlen - wie niet beter wist zou denken dat de foto's gemaakt zijn door zes of zeven fotografen.

Er hangen portretjes van wegwerkers, van kinderen op de achterbank en van vrachtwagenchauffeurs; de architectuur van benzinestations (inmiddels verzorgingsplaatsen geheten); close-ups van vangrails; schimmige actiefoto's van het inhalen van een vrachtwagen in de regen; landschappen met asfalt, kant-en-klaar en in de maak, overdag en 's nachts; een inventaris van viaducten over de A1 t/m A50. Zelfs de kofferbak van een ANWB-Golf en de opslagplaats van verkeersborden ontsnapten niet aan hun aandacht. Laat staan de file.

Het zijn, telkens weer, prachtige foto's. Maar tegelijkertijd word je er ook een beetje droef van: al dat beton, die kille kantoorcomplexen, dat versneden en platgewalste landschap. Het is alsof met al die vormgeving, dimensionering en markering (de woorden komen uit een ANWB-rapport uit 1969 over het Kruispunt) ook het toeval en de verrassing zijn uitgebannen.

Maar dat is natuurlijk onzin. In het al even mooie boek dat Baart en Markerink over de snelweg maakten (de tentoonstelling is eruit geput) interviewt journaliste Tracy Metz een jonge vrouw die via een advertentie in contact probeert te komen met een man die ze al rijdende was tegengekomen.

'Twee, drie, vier, wel vijf keer' hadden ze elkaar ingehaald op de snelweg tussen Delft en Haarlem, en ineens hadden ze oogcontact. “Hij leek me heel aardig, tenminste voor zover je dat kunt bekijken uit een rijdende auto.” Maar ze durfde niet, en hij nam de afslag Badhoevedorp. Ze zwaaiden, en dat was het.

Maar stel je voor. En stel je voor - hun kinderen; zullen die over dertig jaar met evenveel vertedering terugkijken naar de hedendaagse foto's, als je nu doet naar die van Van Bennekom?