Verjongd Metropole Orkest heeft bij vijftigjarig bestaan weer een volle agenda; Een muzikale brug tussen ernst en luchtigheid

Het omroepbrede Metropole Orkest heeft een reeks magere jaren achter de rug en dreigde zelfs te worden opgeheven. Maar bij het vijftigjarig bestaan, dat morgenavond wordt gevierd met een tv-documentaire, heerst tevredenheid: “We hebben het hartstikke druk.”

Park Lane Serenade, 50 jaar Metropole Orkest. Dinsdagavond Ned.1, 22.43-23.39u.

Onder valse voorwendselen was de nu 81-jarige Dolf van der Linden naar het Muziekcentrum van de omroep gelokt. Toen hij in de deuropening van de studio stond, wist hij nog steeds van niets. Maar zodra de grijs geworden maestro één stap over de drempel had gezet, hief dirigent Dick Bakker het stokje en zette het Metropole Orkest de herkenningsmelodie in, die Van der Linden vijftig eerder voor het orkest had geschreven. De tranen stonden hem in de ogen. En toen hij daarna ook zelf nog even mocht dirigeren, leek hij weer even de gelukkigste man ter wereld te zijn.

Het zijn beelden uit de onderhoudende documentaire Park Lane Serenade, 50 jaar Metropole Orkest van Jan Kelder, die morgenavond in de AVRO-rubriek Close-up wordt uitgezonden aan de vooravond van het 51-jarig bestaan. Maar beter laat dan nooit, want vorig jaar is aan het echte jubileum niet veel aandacht besteed. “Ach, er was vorig jaar zo véél dat vijftig jaar bestond,” zegt orkestmanager Fred Dekker desgevraagd. “Allemaal instellingen die kort na de oorlog zijn opgericht.”

De oprichter was Dolf van der Linden, de boomlange en broodmagere musicus die vóór en tijdens de oorlog al als arrangeur bij de radio werkte. Kort na de bevrijding, toen de Hilversumse omroep nog in handen was van Radio Herrijzend Nederland, kreeg hij de opdracht een groot amusementsorkest te formeren dat op hoog niveau de lichte muze moest dienen. Hij bracht een bezetting van 38 man bijeen, die in die eerste naoorlogse maanden heel wat vervoersmoeilijkheden - niemand had een auto en er reden nog nauwelijks treinen - moesten overwinnen om naar Hilversum te komen.

De eerste uitzending van het Metropole Orkest, op 25 november 1945, was een onmiddellijk succes. Het orkest laveerde tussen hot en sweet, schreef S. de Vries jr drie jaar later in zijn boekje Ruiters op de Aethergolven, en slaagde er zodoende glansrijk in de brug te slaan “tussen de ernst en de luchtigheid, tussen de muziek en de verstrooiing.”

Lange jaren waren Van der Linden en zijn mannen vrijwel dagelijks op de radio - niet alleen in eigen uitzendingen, maar ook als begeleiders van gevarieerde zaterdagavondprogramma's als De Showboat (met Wim Sonneveld als Willem Parel). En toen in 1956 het Eurovisie Songfestival begon, konden ze ook de televisie tot hun werkterrein rekenen. Het waren mooie tijden, waarin het orkest een onmisbare steunpilaar van de omroep was en Dolf van der Linden uitgroeide tot een geliefde verschijning. Gezellig ook, als men de muzikanten van toen mag geloven. “Toen was het in de orkesten überhaupt veel gezelliger,” zegt altsaxofonist Piet Noordijk in de documentaire. “Omdat er gedronken werd. Maar de muziek werd steeds moeilijker. Met de muziek van tegenwoordig kùn je geen borreltjes meer drinken. Dat is veel te link.”

Tegen zijn zin ging Dolf van der Linden in 1980 met pensioen. Hij werd opgevolgd door de flamboyant ogende Rogier van Otterloo, wiens klankomrankte melodielijnen nog grotendeels in de semi-symfonische traditie van zijn voorganger wortelden. Maar stilaan begon de buitenwereld toen al te mopperen dat het weelderig gearrangeerde Metropole Orkest niet meer paste bij de ritmiek van de moderne muziek. Steeds minder vaak deden de diverse omroepen een beroep op het orkest dat uit de omroeppot wordt betaald en dus “om niet” kan worden ingeschakeld. Van Otterloo's vroegtijdige dood, in 1988, leidde zelfs tot een crisis. Het voortbestaan stond op het spel.

“Toen ik in '91 kwam,” zegt de huidige chef-dirigent Dick Bakker, “hing er om het orkest een oubollige, stoffige sfeer. De agenda was bijna leeg. Af en toe een riedeltje spelen en dan weer urenlang niks. Daardoor lag ook het werktempo veel te laag; als je niet genoeg te doen hebt, ga je suffen.”

Samen met de nieuwe manager nam hij de promotie ter hand en bestookte de omroepen met eigen programma-ideeën. “Je kunt niet meer alleen afwachten tot de omroepen zelf met ideeën komen; je móet voortdurend laten horen waartoe het orkest tegenwoordig allemaal in staat is.”

Daaruit kwamen uiteenlopende projecten voort als het EO-Gospelpodium, de Uitmarkt-openingen (dit jaar met Youp van 't Hek), de Kindervrienden-concerten voor de TROS, de door de AVRO uitgezonden Night of Entertainment als opvolger van het Grand Gala du Disque, het jaarlijkse optreden op het North Sea Jazz Festival, het wekelijkse NPS-radioprogramma The Bands en de jaarlijkse Paradiso-concerten met zangers van popgroepen. “Heavy metal, rap en house gearrangeerd voor blazers en strijkers - dat spettert als een gek!”

Bakker heeft zelf zijn sporen in het popwezen verdiend, al was het maar omdat hij de componist is van het lied Ding-a-dong waarmee de groep Teach-In in 1975 het Eurovisie Songfestival won. Overigens staat ook dat festival nog altijd op de jaarlijkse lijst van werkzaamheden.

Een ander belangrijk werkterrein is de muziek voor films en tv-series. Zo is het orkest nu te horen in de spannende herkenningsmelodie van de NCRV-serie Zwarte Sneeuw, die morgenavond wordt afgesloten, en in de muziek voor de grote dramaproductie In naam der Koningin die volgende week begint. Ook de met een Oscar bekroonde film Antonia is onder leiding van Bakker van muziek voorzien.

Het feit dat het Metropole Orkest uitsluitend werk kan aannemen waarbij een omroep is betrokken, staat zulks niet in de weg: in vrijwel alle Nederlandse bioscoopfilms wordt door een omroep geparticipeerd. “We hebben het hartstikke druk,” constateert Dick Bakker dan ook. “Drie, vier jaar geleden wisten de meeste omroepen niet meer wat ze nog met het Metropole aan moesten. Dat is totaal veranderd.”

Tot in 1998 is de agenda “stamp- en stampvol”, vult manager Fred Dekker aan. En de gemiddelde leeftijd van de musici (zestig in vaste dienst) ligt op 35 jaar; aanzienlijk lager dan voorheen. “Met alle respect voor mijn voorgangers,” aldus Bakker, “moet je toch vaststellen dat er in het orkest een vergrijzing was opgetreden. Dat is nu niet meer aan de orde. Als je ze in Paradiso bezig ziet, gaan echt alle kranen open. Het orkest heeft een heel modern karakter gekregen in de traditie die ik graag in ere houd: cultuurdrager van de lichte muziek in Nederland.”

    • Henk van Gelder