Nederlandse imamopleiding is moslimbelang

Ongevraagde en ongewenste inmenging van de overheid in godsdienstige aangelegenheden van burgers. Zó kwalificeerden W.A. Shadid en P.S. van Koningsveld het pleidooi van minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken voor een eigen imamopleiding in Nederland (NRC Handelsblad, 31 oktober).

Is er enige grond voor de gedachte dat die minister het beginsel van de scheiding van kerk en staat aan zijn laars lapte? Of streden beide hoogleraren tegen windmolens?

Binnen de godsdienstige stromingen van ons land neemt de islam een eigen plaats in. Hij heeft een aanhang die het half miljoen zal overschrijden, en ruim dertig basisscholen en ongeveer vierhonderd moskeeën van verschillende islamitische richtingen, en een respectabel aantal organisaties.

Veel moslims zijn niet van Nederlandse afkomst. Voor bijna drie vierde deel komen ze oorspronkelijk uit Turkije en Marokko. En zij bevinden zich in een proces van gewenning aan een nieuwe omgeving die niet steeds de nodige welwillendheid tegenover deze nieuwe medeburgers tentoonspreidt.

Voor velen van hen is godsdienst hun houvast. Maar biedt die godsdienst hun ook een voldoende steun om de belemmeringen bij het integratieproces te overwinnen en zich de rechten en verantwoordelijkheden eigen te maken die met het Nederlandse medeburgerschap verbonden zijn?

Het antwoord op die vraag kan verschillend worden geformuleerd. Kijken we naar de praktijk van alledag, dan lijkt in ieder geval één belangrijke voorwaarde voor een positieve steun door islamitische instellingen voor de meeste moslims in de Nederlandse samenleving nog niet te zijn vervuld: op Nederland georiënteerde imams.

Aan het leiderschap binnen de moslimgemeenschappen moet een belangrijke rol worden toegekend. Om in een gecompliceerde en bijzondere samenleving als de Nederlandse te kunnen aarden, hebben mensen voorbeelden nodig.

Dan is het echter ook logisch dat het eigen kader van de moslimgemeenschappen erkent dat de Nederlandse samenleving het milieu biedt voor zelfontplooiing van henzelf en van hun nakomelingen; dat dit kader zelf positief gericht is op die Nederlandse samenleving, er de taal van spreekt, er de weg in weet en dat die nieuwe samenleving hun eerste loyaliteit verdient.

Vooral binnen de grote moslimgroepen, afkomstig uit Marokko en Turkije, hebben de leiders in de moskee die lange weg in veel gevallen nog lang niet afgelegd. Integendeel, veel imams zijn op basis van een tijdelijke benoeming vanuit hun moederland naar Nederland uitgezonden. Zij zijn er niet op voorbereid dat de omstandigheden van de islam in Nederland sterk verschillen met die in hun herkomstland.

We moeten naar een situatie waarin de zendende instanties in de herkomstlanden imams niet meer voor enkele jaren, maar permanent beschikbaar stellen voor hun moslims in Nederland. Uiteindelijk moet er in Nederland zelf een gezaghebbend, 'kerkelijk' lichaam komen dat voor het reilen en zeilen van de imams en de moskeebestuurders verantwoordelijk is.

De verantwoordelijkheid voor een goede toerusting van imams en andere godsdienstige functionarissen ligt bij die instanties die een formele gezagspositie bekleden binnen de islamitische gemeenschap. Bij zijn bezoeken aan Turkije en Marokko heeft minister Dijkstal zich dan ook tot deze instanties gewend om een goede, op de integratie van moslims in Nederland ingestelde vorming van imams te bepleiten.

De Nederlandse overheden zullen zelf geen enkel initiatief kunnen en willen nemen voor de opleiding van imams en andere islamitische gezagsdragers. Maar in zijn zorg voor een zo voorspoedig verlopend integratieproces mag een minister van Binnenlandse Zaken wel zijn opvatting ter sprake brengen en de gewenste initiatieven voor de daartoe bevoegde islamitische instanties bepleiten. Ook mag hij wel duidelijk maken dat in de bestaande Nederlandse wet- en regelgeving voorzieningen aanwezig zijn die ook door andere levensbeschouwelijke gemeenschappen benut worden en die ook voor de moslimgemeenschappen open staan. En in het kader van het beleid voor nieuwkomers kan hij bevorderen dat nieuw in Nederland aangekomen imams maatwerk krijgen.

Het belang van een dergelijke, met Nederlandse omstandigheden rekening houdende vorming van imams ligt bovenal bij de islamitische gemeenschappen zelf in Nederland. Dat is ook van belang voor de Nederlandse samenleving. De integratie van etnische minderheden heeft er alleen maar baat bij, wanneer ook de levensbeschouwelijke instituties waar zij vertrouwen in stellen, hun leden voorgaan in een open en ontspannen omgang met die nieuwe samenleving en wanneer moslims en andere burgers op gelijke voet aan die samenleving deel hebben.

    • G.M.J.M. Koolen