Nederlandse galeries blijven uitgangspunt Keulen trouw

KEULEN, 11 NOV. De kunstbeurs Art Cologne in Keulen viert deze week zijn dertigste verjaardag. Maar een uitbundig feest werd er zaterdag, tijdens de opening, niet gevierd. Slechts een bescheiden Festschrift werd ter gelegenheid van het jubileum uitgebracht, en er was geen champagne. Het gaat namelijk niet goed met de nestor onder de kunstbeurzen.

Art Cologne. T/m 17 nov. in de Messegelände, Auenplatz Keulen. Open ma t/m vr 12-20u., za 11-20u. en zo 11-18u. Entree: 20 marken. Catalogus (met CD-rom): 25 marken. Jubileumboek 18 marken. Onder http://www.artcologne.de kan men via internet tekst en ruim duizend kleurenafbeeldingen over het beursaanbod inzien.

De laatste jaren is er niets dan kritiek op het beleid van de organisatie, het Bundesverband Deutscher Galerien. Als een Cerberus bewaakt het de toegang tot de Rheinhallen: wie er een stand wil huren, moet lid worden van deze machtige belangenvereniging. Dat betekent dat zelfs niet-Duitse galeries elk jaar opnieuw rond de driehonderd marken voor hun lidmaatschap moeten betalen. Zo worden zij gedwongen het beleid van het Bundesverband te onderschrijven.

Het laat zich raden dat vooral Duitse kwaliteitsgaleries oppositie voeren tegen deze gang van zaken. Keulse galeries als Monika Sprüth, Daniël Buchholz en Michael Werner nemen al jaren niet meer deel. Twee plaatselijke collega's, Tanja Grünert en Christian Nagel, organiseerden in 1992 een protestbeurs met de veelzeggende naam Unfair, die twee jaar geleden door Art Cologne werd opgekocht en ingelijfd.

Vergeefs: vorige week had in Berlijn de eerste European art Fair plaats, in belangrijke mate geïnitieerd door Keulse galeries. De beursorganisatie kan er niet omheen een forumdiscussie te wijden aan deze concurrent; voor zondag 17 november (om 14 uur) staat een 'Streitgespräch' met de Berlijnse rivaal op de agenda.

Door het ontbreken van een aantal Duitse galeries, maar ook omdat de leden de galerie te groot vonden, is de 30ste Art Cologne aanzienlijk ingekrompen. Tegen 349 stands vorig jaar zijn er nu 279, ruim een kwart minder. De in beslag genomen ruimte is echter niet minder geworden: het Bundesverband heeft opnieuw zijn macht laten gelden, en stelde dat deelnemers tenminste vijftig vierkante meter moeten huren. Een kostbare zaak voor galeriehouders, maar wèl aangenaam voor bezoekers.

Ruime, open stands zijn het resultaat, ook in de Halle 5 waar de meer op jonge kunst georiënteerde galeries met een kleiner budget staan. Het gevolg is wel, dat het avontuurlijke er daar tamelijk grondig vanaf is. Logisch: hoe duurder de stand, des te meer er verkocht moet worden. Dan grijpt men al gauw naar werken van gearriveerde kunstenaars die meer opbrengen. Kaess-Weiss (Stuttgart) bijvoorbeeld biedt er een tweedelig wandobject van Donald Judd uit 1989 aan voor 135.000 marken, terwijl de Italiaanse Rafaello een hele kast met Salvo's en Nicola de Maria's heeft opengetrokken.

De Nederlandse galeries in hal 5 zijn het oorspronkelijke uitgangspunt wèl trouw gebleven. Cokkie Snoei (Rotterdam) heeft een enorme tank van polyethyleen neergezet, waarin kunstenaar David Bade uitdagend het Volkswagen-logo heeft ingebrand. Akinci (Amsterdam) verkocht tijdens de opening twee werken van de nog onbekende Juul Kraijer aan Duitse verzamelaars.

Een surreël tableau van Jacqueline Lamme - een zelfportret als Roodkapje met bokshandschoenen aan - staat pontificaal opgesteld bij Torch (Amsterdam). Een letterlijk oogverblindende Nederlandse presentatie is de Förderkoje die galerie De Expeditie (voor het eerst in Keulen) mocht inrichten. In deze voor jonge kunstenaars gereserveerde extra ruimte - geselecteerd en gefinancierd door de beursorganisatie - toont Fransje Killaars een installatie van geweven tapijten in fluorescerende kleuren, terwijl langs de wanden een sluier van kleurige acryldraden hangt.

Verstopt achterin hal 5 is een zeer esthetische Sonderschau van Robert Wilson te zien; in drie ruimtes verbeeldt hij een Indiaans sprookje, compleet met aan het plafond gehangen, blauwe zwanen. Op de begane grond zijn, als tweede bijzondere presentatie, tachtig foto's afkomstig uit het August Sander Archiv te zien.

De meest spectaculaire stands zijn te vinden op de eerste verdieping aan het middenpad. Op een rij hebben daar de handelaren Karsten Greve, Gmurzynska, Achenbach en Utermann (alle uit het Ruhrgebied) enorme stands betrokken, oplopend tot 270 vierkante meter. Greve spant de kroon met een museale presentatie waarin 'zalen' zijn gereserveerd voor Kounellis (naast een forse wandsculptuur hangt trots een dikke rode stip), schitterende Manzoni's van vilt uit 1960, en diverse marmeren en bronzen beelden van Louise Bourgeois. Voor het schilderij Sphinx (1954) van Francis Bacon wordt 3,9 miljoen marken gevraagd, maar het topstuk is een Gino Severini (5,85 miljoen DM).

Gmurzysnka biedt werk aan van klassieke modernen als Kandinsky, Dali en Picasso, terwijl Utermann een bloemenschilderij van Emil Nolde toont (780.000 marken). Ook de Nederlandse handelaren laten zich niet onbetuigd: Delaive komt met een Joan Mitchell (uit de collectie van Sam Francis) voor 825.000 marken, terwijl de nieuwkomer onder de twaalf Nederlandse deelnemers, Frans Jacobs, een inkttekening van Matisse (1941) voor 250.000 DM van de hand wil doen.

Maar de hedendaagse grote galeries die een tegenwicht kunnen bieden aan het vuurwerk van deze handelaren, worden node gemist in Keulen. Konrad Fischer (Düsseldorf), Franck & Schulte (Berlijn), Lisson (Londen), Holly Solomon (New York), zij waren in Berlijn maar geen van alle in Keulen. Hun inbreng, vooral de autoriteit waarmee zij ook aandacht voor jongere kunst kunnen afdwingen, ontbreekt. Des te pijnlijker is het voor de jublilerende Art Cologne dat het er niet naar uitziet dat zij binnenkort teruggewonnen zullen worden.