Leedvermaak over haken en draden

Rotterdam is diep vernederd. Vorige week maandag werd de stad rond het middaguur opgeschrikt door krakend metaal; de gloednieuwe Erasmusbrug was aan het dansen geslagen. Vrijdagmiddag was de zaak weer onder controle. Het zal nooit meer voorkomen, bezwoer directeur De Wijs van Gemeentewerken ootmoedig.

Wat een tros zwabberende tuidraden al niet kan uitrichten. Maandag en dinsdag verzekerden wethouders, directeurs en voorlichters nog bleekjes dat er niets aan de hand was. Van heinde en verre kwamen daarna de bedrijven hun uit voorraad leverbare oplossing aanbieden of alsnog hun gram halen omdat ze bij de aanbesteding waren overgeslagen. Hoogleraren vroegen luid aandacht voor hun vakgroep en waanden zich al voorzitter van de onafhankelijke commissie die het Erasmusschandaal tot de bodem zou uitzoeken. Met het vorderen van de week sloten gemeentelijke diensten zich als oesters. Telefonistes werden voorgeprogrammeerd op één zin: “Als het over de Erasmusbrug gaat, moet ik u toch echt doorverwijzen naar...” Naar wie? Natuurlijk naar die ene piepjonge gemeentevoorlichter die van microfoon naar vergadering naar autotelefoon mocht rennen zonder het antwoord op welke vraag dan ook te weten.

Vrijdagmiddag rondde de Rotterdamse gemeenteraad deze exercitie in ambtelijke paniek af met een bijzondere commissievergadering. Oppositionele raadsleden waren verontwaardigd (“Ik eis een garantie dat geen enkele Rotterdammer van de Erasmusbrug valt”), brave raadsleden namen hun wethouders in bescherming, ambitieuze raadsleden lieten zien dat zij hun taak serieus nemen (“Ook verwachten wij dat onderzocht wordt hoe de tuidraden zich bij sneeuwval en ijzel houden”). Mooi was het bescheiden zwijgen van de Rotterdamse 'Cassandra' Rob Becqué (CDA). Dit raadslid had in 1991, toen zijn collega's nog in volle aanbidding voor de Erasmusbrug lagen, gewaarschuwd voor de risico's van Ben van Berkels ontwerp. Men had toen zo hard gelachen, dat Becqué halverwege zijn betoog ook maar een schertsende toon ging aanslaan.

Het is een periodiek gegeven: Rotterdam wordt nu en dan voor zijn hoogmoed gestraft. Het blijft de nouveau riche van Nederland, dit stadje dat door een gunstige ligging in anderhalve eeuw uit zijn voegen is gebarsten. Als Rotterdam zich weer op de borst slaat met het hoogste, grootste of modernste, kijkt de rest van Nederland verbaasd toe. Die Rotterdammers durven toch maar.

Des te groter is het leedvermaak bij mislukkingen. Rotterdam trekt dan zijn boetekleed aan, zoals calvinistisch Nederland dat al eeuwen doet bij tegenslag. Heeft men niet rond het gouden kalf gedanst en de soberheid der voorvaderen uit het oog verloren, die de stad groot heeft gemaakt? “In het debat over de Erasmusbrug speelden alleen esthetische argumenten en city marketing een rol”, zo herinnerde het raadslid Aubert zich vrijdag. “Over constructieve risico's hebben we het nooit gehad.”

De Erasmusbrug ging dit weekeinde weer open. Qua city marketing heeft ze Rotterdam nog niet gebracht wat men er van hoopte, maar nog altijd rekt de 'brug der verleiding' zich elegant en slaperig uit over de Nieuwe Maas. De haken en draden die haar tuien bijeenhouden, herinneren Rotterdam aan de strenge vermaning van voormalig wethouder René Smit - niet toevallig van reformatorischen huize. Rotterdam spiegelt zich aan Londen en Parijs, aldus Smit, maar blijft gewoon een dorp aan de rivier.

    • Coen van Zwol