Hutu's weren zich als katten in het nauw

Nu de internationale diplomatie zich inspant om de ergste humanitaire nood in Zaïre en Rwanda te lenigen, moeten we de politieke achtergrond niet uit het oog verliezen, betoogt C.M. Overdulve. De blijvende factor is de onderdrukking van de Hutu's door de Tutsi's.

Opnieuw gaan de gebeurtenissen in het gebied van de Grote Meren het voorstellingsvermogen en het begrip te boven. Men is verbijsterd en perplex door de aard van de moordpartijen en de omvang en het karakter van de humanitaire ramp die zich daar aan het voltrekken is. Wat men echter niet door heeft is dat zich in deze humanitaire ramp een politieke ramp afspeelt, die een lijn volgt. Om die doorgaande lijn te zien moeten we teruggaan in de tijd.

Vier eeuwen lang is in Rwanda sprake geweest van een Tutsi-dictatuur. Een langdurig proces van gestage onderwerping van de merendeels landbouwende Hutu-bevolking ging gepaard met het verlies van de familiegrond. Daarmee groeide in de ziel van de Hutu het gevoel van vernedering, van haat en van angst: men was onderworpen, men gedroeg zich als onderworpene, maar men koesterde een groeiende rancune tegen de overwinnaar en bezetter van het land.

Het verlangen naar bevrijding bleef evenwel, en groeide. De oplopende spanning ontlaadde zich in 1959 in een volksopstand, die in 1961 leidde tot een burgerlijke staatsgreep, waarin de monarchie werd afgezworen en de Republiek werd uitgeroepen. In een volksreferendum onder toezicht van de VN werd de nieuwe situatie bekrachtigd.

Zo'n 150.000 Tutsi's aanvaardden hun nederlaag niet en vluchtten naar het buitenland. Zij organiseerden zich met het oog op een terugkeer. Op 1 oktober 1990 viel hun Rwandees Patriottisch Front (RPF) vanuit Oeganda en met steun van Oeganda, Rwanda binnen. En het had zich goed voorbereid. Allereerst militair: de soldaten van het RPF hadden jarenlang gevochten in de guerrilla van Museveni, de huidige president van Oeganda, onder wie ook Paul Kagame, de huidige sterke man in Kigali.

Ook met het oog op de media was de inval goed voorbereid. Het RPFafficheerde zich als de beschermer van de mensenrechten die in Rwanda door de regering van Habyarumana werden geschonden. Zij zouden ook de democratie in Rwanda doen zegevieren tegen de dictatuur van de Habyarimana-clan. Alsof er binnen Rwanda niet een groeiende oppositie was. Hiermee wist het RPF al bij voorbaat de sympathie te winnen van mensenrechtenactivisten en sympathisanten van de Derde wereld. Weliswaar kenden ze Rwanda niet, maar des te beter kenden ze hun eigen slogans, en die hoorden ze volledig terug in de RPF-propaganda. Zelfs de regeringen in Europa en Amerika, tot aan het Vaticaan toe, lieten zich hierdoor inpalmen en juichten de inval toe: Rwanda zou eindelijk bevrijd worden...

De bevolking wist wel beter: het ging de RPF niet om dit soort dingen, maar om herovering van de oude verloren macht, om alleenheerschappij. En de mensen vluchtten vóór het RPF uit: eerst naar het midden en zuiden van het land, en vervolgens in 1994 over de grenzen naar Tanzania, Burundi en Zaïre. De Hutu's wisten uit een ervaring van eeuwen wat een Tutsi-bewind zou gaan betekenen: geen democratie, geen bescherming van de mensenrechten, maar dictatuur, onderdrukking en terreur. En dat is precies wat er gebeurd is.

Het gaat hier niet om een etnisch probleem, maar om een politiek probleem dat met militaire middelen wordt opgelost. De tegenstelling Tutsi-Hutu is niet zozeer een etnische tegenstelling als wel vooral een politieke: Tutsi staat gelijk met machthebber, onderdrukker, en Hutu met onderdrukte, maar dan één die zich fel verzet, als een kat in het nauw.

De aard van dit verzet verbijstert ons en wekt onze weerzin. De TV-beelden staan op ons netvlies gebrand: mensen die mensen afslachten met machetes, het is gruwelijk, het is primitief, het is wild! Nee, dan het RPF, dat doet het beter: zij hebben onze moderne geciviliseerde mortieren en kalasjnikovs. In het noordoosten van Rwanda vermoordden ze daarmee tussen 1990 en 1994 tijdens hun veldtocht naar Kigali meer dan een half miljoen Hutu-burgers en schoffelden die vervolgens onder de grond. Geen haan die ernaar kraaide (rechercheurs van het Internationaal Tribunaal voor Rwanda kregen geen toestemming massagraven te onderzoeken). De Hutu's in het land (afgezien van het leger) hadden alleen hun machetes, een dagelijks gebruiksvoorwerp, en ze gebruikten die zoals een kat in het nauw zijn klauwen gebruikt.

Tegen deze historische achtergrond moet de huidige catastrofale situatie worden gezien. Hulpverleners van allerlei aard, funtionarissen van de VN en het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen, diplomaten in Kigali, parlementsleden en ministers in Europese landen, zij allen zien met verbijstering en onbegrip dat de vluchtelingen in de kampen weigeren terug te keren naar Rwanda: ze sterven aan cholera en dysenterie, ze creperen van honger en dorst, ze vluchten verder Zaïre in waar een vijandige bevolking hen geen welkom heet, maar ze gaan niet terug naar Rwanda, ondanks alle verzekeringen van veiligheid die het regime in Kigali geeft, ondanks alle overredingskracht van diplomaten en hulpverleners. Waarom niet?

Diplomaten en hulpverleners weten het antwoord! Ze zeggen: de Hutu's hebben een slecht geweten, ze hebben meegedaan aan de genocide en zijn bang voor wraak, ze worden geïntimideerd door de extremistische Interahamwe van het oude regime, ze krijgen verkeerde informatie over de toestand in Rwanda waar het echt allemaal veel beter gaat. Klopt dat echt?

Zeker, er zitten extremisten in de kampen, al taant hun invloed onder de kampbevolking. Maar die kampbevolking weet wat er werkelijk in het land gebeurt, weet van de overvolle onmenselijke gevangenissen, weet van de arbitraire in-hechtenis-nemingen, weet van de massamoorden op burgers door RPF-militairen, weet van het klimaat van terreur.

De vluchtelingen zijn bang om terug te keren; ja, ze zijn bang, om al die redenen die ik noemde. Maar die angst wordt niet weggenomen door schone beloften van veiligheid, zelfs niet door garanties van de VN. Want de angst wordt gevoed door een veel diepere, existentiële angst opgedaan in een ervaring van eeuwen, in een lange geschiedenis.

Voor de vluchtelingen in de kampen, voor de asielzoekers in de buitenlanden, én ook voor de grote massa Hutu's die ondanks alles nog in het land wonen, is Rwanda bezet gebied. Het RPF-regime in Kigali wordt gezien als een bezettende macht en niet als een wettige en herkenbare regering. En men weigert onder een bezetter te leven: men keert niet terug. Men zal pas terugkeren als de bezetter verdwenen is, óf om de bezetter te verdrijven...

Humanitaire hulp voor de honderdduizenden vluchtelingen zal ongetwijfeld en op korte termijn gerealiseerd moeten worden. Maar een oplossing voor de problemen is het niet, want die is niet humanitair, maar politiek. Er moet dus een politieke oplossing komen. En een politieke oplossing komt er niet zonder een verandering van het regime in Kigali. En evenmin als niet ook vertegenwoordigers van de vluchtelingen uit de kampen en van elders in de wereld, daarbij betrokken worden.

Is de 'internationale gemeenschap' bereid aan zulk een oplossing te werken? Het ziet er niet naar uit. Amerikaanse militaire instructeurs bevinden zich overal in Rwanda tot zelfs aan de grens met Zaïre toe. Ook onze eigen regering blijft onvervroren steun geven aan de militaire dictatuur in Kigali. De hulpverleningsinstanties zullen nog voor vele jaren werk hebben.