Herfstpoëzie

Optima, jrg. 14, nr.3. Uitg. Contact, 104 blz. Prijs ƒ 12,50.

Zo begint het:

Niet velen bereikten de leeftijd van dertig. Ouderdom, dat was een privilege van stenen en bomen. De kindertijd duurde even lang als de welpentijd van wolven. Men moest zich haasten, klaarkomen met het leven voor zonsondergang, voor de eerste sneeuwval.(-) 'Het korte leven van onze voorouders' is een gedicht van Nobelprijs-winnares Wislawa Szymborska en het opent de nieuwe Optima, in de vertaling van Jo Govaerts. Hij is al de derde Nederlandse vertaler, die opduikt nadat bekend werd dat Szymborska de prijs had gewonnen. Blijkbaar hadden vertalers in Nederland haar kwaliteiten beter door dan de uitgevers, want gebundeld is ze nog steeds niet, hoewel ook uit de vijf gedichten in Optima duidelijk wordt dat Szymborska een prachtige dichteres is. Sober en helder zijn haar gedichten, maar ook licht ironisch en met een permanente onderstroom van melancholie.

Door het dwingende begin van het nummer werpt Optima een vraag op die wel vaker opkomt bij literaire tijdschriften: moet je nu hap-snap bladerend lezen, zoals bij een tijdschrift, of van voor naar achter, zoals een boek? De redactie lijkt voor het laatste te hebben gekozen: de poëzie van Szymborska vormt een opmaat voor de rest van dit nummer, dat is doortrokken van weemoedige herfstigheid. Dat begint met het verhaal 'Paravion' van de jonge Nederlandse schrijver Hafid Bouazza, die zijn surrealisme graag van een melancholieke ondertoon voorziet. In 'Paravion' zijn we getuige van een ongeluk met een vliegend tapijt, vanuit het hiernamaals verteld door de ongelukkige bestuurder. Als gegeven klinkt dat tamelijk hilarisch, maar dat is het niet door de trage, plechtstatige stijl van Bouazza ('Toen kwamen we in het ruime azuur boven het wolkendek en daar is een schreeuw van licht die de ogen vlijmt'). Aan het begin roept die vorm even irritatie op, maar uiteindelijk zorgt Bouzza's taalgebruik voor een hypnotiserende kadans in zijn verhaal, die juist door het bijna slapstick-achtige gegeven nooit te zwaar wordt.

Na deze twee uitstekende openingen zakt dit nummer van Optima helaas wat in. Het verhaal 'Josefina's gezicht' van de Turkse schrijfster Sibel Bilgin mag dan aardig in de melancholieke opzet passen, het haalt niet bij het fragment van Bouazza en ook de gedichten van Andreas Sinakowski en Chrétien Breukers, hoe verschillend ook, maken nauwelijks indruk.

Toch komt na dit alles het prozafragment van Arie Storm ('Mede-oprichter van de eerste Nederlandse Kees 't Hart-fanclub') rauw op je dak vallen. Storm heeft zichzelf ooit als anti-Zoetermeer gepositioneerd, maar daarvan is in dit proza over een voorleesavond, vreemdgaan en het schrijven van een 'modern moppenboek' weinig meer te merken:

'Wat voor moppen moeten er ook alweer in?' 'Nou,' zei Kars, 'racistische moppen, seksistische moppen, aanstootgevende moppen.'

'Ik heb er al veel verzameld,' zei de jouralist, 'weliswaar ouwe moppen, maar als je de Italiaanse en Spaanse gastarbeiders door jeugdige Marokkaanse criminelen vervangt, kom je volgens mij een heel eind.'

Gelukkig eindigt dit nummer van Optima zoals het begon: licht-ironisch en weemoedig, met een artikel van Marijke Spies, hoogleraar aan de VU in Amsterdam, over Joannes Goropius Becanus (1519-1572). De naam van deze zestiende-eeuwse wetenschapper en etymoloog is vergeten, maar hij is nog wel bekend als de anonymus die aantoonde dat het Duits - het Diets en dus ook het Nederlands - de taal was die door Adam en Eva in het paradijs werd gesproken. Becanus had volgens Spies 1500 bladzijden nodig om zijn theorie uiteen te zetten; die zijn door de eeuwen tot één zin geërodeerd. Dat verval wordt begrijperlijker wanneer Spies laat zien dat Becanus met behulp van zijn theorie zo'n beetje het hele wereldraadsel probeerde te ontcijferen. Zo meende hij dat God de sterrenbeelden van de Draak en de Grote en de Kleine Beer aan de hemel had geplaatst om de mensen 'te waarschuwen voor de duivel en voor vleselijke lusten, omdat naar men zegt beren van alle dieren het meest begerig zijn'. En dacht hij de volkeren uit antieke geschriften op grond van hun naam te kunnen localiseren: de Issedonen, waarover Solinus schreef, moeten wel in de buurt van een ijsszee hebben gewoond, want in het Nederduits betekende 'is' 'ijs' en 'se' 'zee'. Een mooi artikel, al is het maar omdat Spies duidelijk medelijden heeft met de vergetelheid die haar collega-wetenschapper heeft getroffen.