Gedragscode biedt militair houvast

Minister Voorhoeve van Defensie heeft op Prinsjesdag in de Memorie van Toelichting bij de Defensiebegroting 1997 de uitwerking van een gedragscode voor militairen aangekondigd. Dat wordt geen strikte gedragscode. Wel buigen de bevelhebbers van de drie krijgsmachtonderdelen en de Marechaussee zich inmiddels over de uitwerking en toepassing van bestaande regels.

Door het terugroepen uit het buitenland van twee luchtmachtmilitairen vanwege hun uiterlijk was al een publieke discussie op gang gekomen over het aanscherpen van de normen binnen de krijgsmacht. De Vereniging van Dienstplichtige Militairen (VVDM) liet zelfs weten dat, tegen de achtergrond van het naar huis zenden van de laatste dienstplichtigen, de krijgsmachttop nu kennelijk zijn kans schoon zag allerlei maatschappelijke verworvenheden in de krijgsmacht terug te draaien.

Het is jammer dat de discussie over een gedragscode voor militairen zich sindsdien veelal heeft verengd tot oorbellen en andere zogenoemde 'maatschappelijke verworvenheden'. Veel fundamenteler voor een gedragscode is echter dat ze vooral een referentiekader zou moeten bieden voor het handelen van de militair in de hedendaagse vredesoperaties. De militair komt immers steeds vaker terecht in situaties waarin een groot beroep op zijn incasseringsvermogen wordt gedaan, en in situaties waarin hij voor de afweging komt te staan zelf geweld te gebruiken of geweld juist helemaal achterwege te laten. Het is wenselijk dat de Nederlandse militair in dit soort situaties kan handelen op basis van gemeenschappelijk gedragen ethische normen en waarden.

Zo'n code is normatief-ethisch en niet van tucht- of strafrechtelijke aard, dus ook niet juridisch afdwingbaar. Wat dat betreft is de OVSE-gedragscode inzake politiek-militaire aspecten van veiligheid ook geen echte gedragscode. Deze code bevat immers voornamelijk verwijzingen naar reeds bestaande internationale wetgeving, zoals het internationale humanitaire oorlogsrecht. Anders gezegd: deze code is slechts een symbolische revitalisering van reeds door staten aangegane juridische verplichtingen.

Voor de krijgsmacht als organisatie is een gedragscode echter vooral van belang omdat ze ertoe bijdraagt morele dilemma's van militairen uit de juridische sfeer te houden. Een gedragscode biedt de organisatie de mogelijkheid beter te anticiperen op morele kwesties in verband met het functioneren van militairen.

Verder kan een gedragscode behulpzaam zijn bij het voorkomen van morele vragen van militairen na een missie. Bovendien is een gedragscode voor de krijgsmacht gewenst, aangezien het militair leiderschap steeds meer op een lager niveau wordt uitgeoefend.

Ook is van belang dat bij hedendaagse vredesoperaties het strategische, operationele en tactische niveau min of meer samenvallen. Met andere woorden: handelingen op het tactische niveau kunnen directe gevolgen hebben voor het politiek-strategische niveau. Nog concreter: de ondoordachte handeling van een individuele militair kan leiden tot een internationale crisis.

Ook de mensenrechten dienen een plaats in de gedragscode te krijgen. In de hedendaagse vredesoperaties komt de militair immers veel vaker en veel directer in aanraking met schendingen van mensenrechten. Somalië, Bosnië en Rwanda zijn daar voorbeelden van. Bovendien is een van de expliciete doeleinden die de regering met het uitzenden van Nederlandse militairen nastreeft de handhaving van de normen van het internationale recht, waaronder de fundamentele mensenrechten in het kader van het bevorderen van een internationale rechtsorde (waaronder ook het optreden bij humanitaire noodsituaties).

De vraag rijst dan of de onpartijdigheid van de vredesmacht zóver gaat, dat schendingen van mensenrechten die onder de ogen van de blauwhelmen plaatsvinden ongehinderd doorgang mogen vinden. Moet de vredesmacht zich bijvoorbeeld beperken tot rapporteren of moet ze ook interveniëren? Maar los van de vraag in hoeverre het mandaat van een vredesoperatie het optreden tegen schendingen van mensenrechten toelaat, is bewustwording van de problematiek een eerste vereiste.

Het onderwijs in de gedragscode en mensenrechten mag echter niet beperkt blijven tot het simpel overdragen van kennis. Het gaat juist om een benadering die het gedrag of de houding van de militair probeert te beïnvloeden. Met andere woorden: naast de noodzakelijke kennisoverdracht gaat het vooral om het op gang brengen van een waardeontwikkeling.

Zo bestaat op het Instituut Defensie Leergangen voor de hogere militaire vorming sinds enkele jaren een module ethiek. Hierin treden onder meer officieren met recente ervaring in vredesoperaties op. Zij vertellen vooral over de dilemma's die zich bij vredesoperaties voordoen. De module wordt afgesloten met een syndicaatsoefening waarin de cursisten aan de hand van een scenario van een vredesoperatie een gedragscode voor hun eigen eenheid moeten formuleren. Daarbij maken ze gebruik van het zogenoemde ethisch besluitvormingsmodel, dat alle relevante 'aandachtspunten' bevat. Na rapportage vindt ten slotte een plenaire discussie plaats.

Dit is in ieder geval een goede methode om de noodzakelijke bewustwording op gang te brengen.

Concluderend moge duidelijk zijn dat een gedragscode geen panacee is, doch slechts een hulpmiddel. Een gedragscode is ook geen substituut voor het militair straf- en tuchtrecht en het humanitair oorlogsrecht, maar kan alleen aanvullend zijn. Zo'n code dient niet in de eerste plaats als toetsing achteraf, maar vooral als richtsnoer vooraf voor het gedrag van militairen.

Zou de gedragscode er niet komen, dan zou het gevaar bestaan dat de krijgsmacht op het gebied van ethische vragen van incident naar incident holt. Van belang is dat de krijgsmacht bij haar leden het vermogen ontwikkelt tot anticiperen op ethische vragen.

Om in ethische zin verantwoord te kunnen handelen moeten militairen de consequenties van hun doen en laten voor zichzelf en voor anderen kunnen overzien en aanvaarden. De krijgsmacht heeft in dezen een bijzondere verantwoordelijkheid voor de gewetensvorming van militairen. Kortom, ethische vragen mogen niet pas in de concrete operationele situatie zichtbaar worden, want dan is het vaak te laat om ze op adequate wijze te hanteren.