Financiering voor volgende eeuw; Regeringspartijen willen AOW-fonds

DEN HAAG, 11 NOV. De regeringsfracties PvdA, VVD en D66 in de Tweede Kamer hebben een akkoord bereikt over de vorming van een spaarfonds voor de AOW. Dit moet garanderen dat de oudedagsvoorziening ook begin volgende eeuw betaalbaar blijft. De kosten van de AOW zullen sterk oplopen door de vergrijzing.

Het kabinet besloot eerder dit jaar de AOW-premie te bevriezen en de stijgende lasten van de voorziening uit de schatkist te betalen. Volgens de regeringsfracties biedt dat plan echter niet voldoende zekerheid. Het Tweede Kamerlid Van Zijl (PvdA) wijst er op dat ook de kosten voor de volksgezondheid snel zullen stijgen. De AOW zal daarmee moeten “concurreren”.

De coalitiepartijen vinden het daarom veiliger een spaarpotje voor de oudedagsvoorziening te vormen. Het fonds moet gevuld worden met een deel van de opbrengst van de economische groei. Met ingang van de volgende kabinetsperiode zou het fonds jaarlijks gevuld moeten worden met 1 tot 1,5 miljard gulden. Door van dat geld staatsobligaties te kopen, telt het spaarfonds ook nog mee als reductie van de staatsschuld volgens de normen die gelden voor de Economische en Monetaire Unie.

PvdA en D66 waren al langer voorstander van een spaarpotje voor de AOW. Ze zijn er vorige week in geslaagd ook de VVD te overtuigen van de noodzaak daarvan. Vandaag worden de plannen met het kabinet in de Tweede Kamer besproken. Voorafgaand aan dit debat typeerde staatssecretaris De Grave (Sociale Zaken) het plan van de drie fracties als “een interessant idee”. De Grave is verheugd dat de PvdA afziet van haar oorspronkelijk voornemen om ouderen met een goed aanvullend pensioen ook AOW-premie te laten betalen. Bejaarden zijn daar nu van vrijgesteld. Volgens Van Zijl gaan de rijkere ouderen vanzelf een bijdrage leveren aan de AOW als die deels uit de schatkist wordt gefinancierd.

Bovendien is de PvdA er voorstander van om de AOW-premie geleidelijk te verlagen. Dat betekent dat er een nog groter deel uit de schatkist moet komen. De bijdragen van burgers met een goed inkomen neemt daardoor verder toe.

Het Tweede Kamerlid Dankers (CDA) vindt het vormen van een spaarfonds niet nodig. Zij wijst erop dat rond 2010, als de betaalbaarheid van de AOW echt een probleem wordt, de staatsschuld een stuk lager zal zijn dan nu. Het rijk hoeft dan minder aan rente te betalen en kan dit geld aan andere zaken besteden. Dankers vraagt zich verder af waar de coalitiepartijen 1 tot 1,5 miljard per jaar vandaan willen halen voor een spaarfonds. “Het lukt nu al niet een paar honderd miljoen per jaar extra te vinden om bij voorbeeld de wachtlijsten in verpleeghuizen weg te werken”, aldus het CDA-Kamerlid.

Pag.10: Akkoord coalitie over AOW

De PvdA- en CDA-fractie wil verder dat het kabinet niet voorschrijft aan sociale partners of zij het pensioen willen baseren op het laatst verdiende salaris (eindloon) of het gemiddeld over de dienstbetrekking verdiende inkomen (middelloon). De pensioenpremies voor beide pensioenmethoden zouden fiscaal aftrekbaar moeten zijn. Het precieze instrument voorschrijven doet afbreuk aan de onderhandelingsvrijheid van de sociale partners en het arbeidsvoorwaardenoverleg.

De PvdA-fractie is voorstander van een verlaging van de zogeheten AOW-franchise. Dat is de inbouw van de AOW als basispensioen in het totale pensioen. Hierbij wordt nog uitgegaan van de situatie dat een werknemer pensioen moet opbouwen voor twee personen, waarvan er één niet werkt. Alleenstaanden en werkende partners worden door dit systeem benadeeld. Zij bouwen een pensioen op als kregen zij tweemaal vijftig procent AOW, terwijl ze later in werkelijkheid slechts éénmaal AOW krijgen van 70 procent (alleenstaanden) of 50 procent (werkende partners). “Dat is fnuikend voor vooral mensen met lage inkomens”, aldus Van Zijl. Vanwege de relatief hoge AOW-inbouw bouwen zij geen of nauwelijks aanvullend pensioen op. Dit kan ondervangen worden door de AOW-inbouw (franchise) te verlagen. Werknemers beginnen dan eerder aanvullend pensioen op te bouwen. Dat is echter een kostbare aangelegenheid. Er moet immers over een lager inkomen al premie worden betaald.

D66-Kamerlid A. Schimmel is het eens met het principe van een lagere franchise, maar blijft voorlopig toch het kabinetsstandpunt steunen.

Het kabinet kiest ondubbelzinnig voor een middelloon pensioen en wil pensioenpremies alleen nog maar aftrekbaar maken voor de belasting als die betrekking hebben op een pensioen dat is gebaseerd op het gemiddeld over de diensttijd verdiende inkomen. Daarbij ontstaat volgens het kabinet ruimte voor een lagere franchise. Bij het kabinet is dat een uitvloeisel van de keuze voor een soberder pensioen. Bij de PvdA staat de lagere franchise voorop en is de keuze voor de financiering daarvan en de keuze van een pensioensysteem door de sociale partners vrij.