'De EO mag blijven evangeliseren'; Nuis over publieke omroep na het jaar 2000

DEN HAAG, 11 NOV. In het publieke omroepbestel dat het kabinet voor na het jaar 2000 voor ogen staat, houden de omroepverenigingen 'een grote mate van vrijheid' om in hun programma's hun 'eenzijdigheden' uit te dragen. Dit heeft staatssecretaris A. Nuis (media) dit weekeinde verklaard in een vraaggesprek met deze krant.

De EO bijvoorbeeld zou het recht niet worden ontzegd om in haar programma's te evangeliseren. “Een publieke omroep die zou doen alsof alle Nederlanders hetzelfde denken en op dezelfde manier leven, pleegt verraad aan de werkelijkheid.”

De staatssecretaris denkt wel dat de reeds binnen de publieke omroep bestaande tendens naar hechtere samenwerking rechtvaardigt dat de overheid in de toekomst aan de publieke omroep één uitzendconcessie verleent, in plaats van zoals nu aan elke omroepvereniging afzonderlijk.

Nuis zegt dat de door het kabinet thans voorgestelde wijziging in het bestel van de publieke omroep “nu een schok lijkt”, waarover “in Hilversum niet zo vrolijk wordt gedacht”. Maar hij denkt dat de instelling van één concessie in 2000, gegeven de verdergaande samenwerking, “een automatische stap” zal blijken. “Het hoeft niet te betekenen dat de omroepverenigingen verdwijnen, wel dat de publieke omroep in de toekomst één bedrijf moet zijn.” In het vrijdag gepubliceerde standpunt van de regering inzake de publieke omroep wordt gezegd dat omroepen die onverkort aan hun zelfstandige identiteitsbeleving willen vasthouden, een plaats buiten het publieke bestel moeten opzoeken.

De omroepverenigingen zullen in de toekomst hun programma's “ten dienste van het geheel moeten stellen”, aldus Nuis, en vormen dan elk “een soort deelredactie” binnen het totaal van de publieke omroep. “Maar dat betekent niet dat er censuur zou worden uitgeoefend op het soort programma's dat die deelredactie maakt.”

Het kabinetsbeleid inzake de publieke omroep omschrijft Nuis als een 'tweetrapsraket'. De instelling van één concessie na 2000 wordt voorafgegaan door de kabinetsvoorstellen die nog voor die tijd gerealiseerd zouden moeten worden en waarbij de bestuurlijke rol van de traditionele omroepverenigingen wordt beknot. Deze zouden meer uitsluitend een programmaproducerende taak krijgen toebedeeld, hetgeen overigens niet uitsluit dat zij ook in de toekomst van externe producenten gebruik kunnen maken.

Formeel draagt het vrijdag gepubliceerde regeringsstandpunt het karakter van een reactie op het eerdere rapport Ververs. Nuis prijst de in dit rapport vervatte rechtvaardiging van het bestaan van de publieke omroep, maar neemt de praktische aanbevelingen van de commissie - zoals bijvoorbeeld omroepverkiezingen en behoud van de bestaande aantallen televisie- en radionetten - vooralsnog niet over. Evenmin spreekt Nuis zich nu al uit over de vraag of de tot 2000 vigerende samenwerkingsvormen tussen de omroepen en de zenderindeling behouden moeten blijven. Wel zegt hij er zelf geen voorstander van te zijn om een thematische indeling, zoals die thans bij de publieke radio bestaat (nieuws, popmuziek, klassieke muziek) in de toekomst ook op de televisie te hanteren.

Nuis stelt voor de abonnementen op omroepbladen en de zendtijdverdeling los te koppelen en de minimum-contributie voor het lidmaatschap van een omroepvereniging op te trekken van tien naar 25 gulden, waarbij vijftien gulden van dit bedrag voor programmakosten is bestemd. In hoeverre het aantal leden van een omroep dan nog bepalend zal zijn voor de toewijzing van zendtijd, kan hij nog niet zeggen. Evenmin wil de staatssecretaris zich nu al uitlaten over de wenselijkheid van behoud van de bestaande drie televisie- en vijf radionetten van de publieke omroep. Het aantal netten is mede afhankelijk van de plaats die de publieke omroep inneemt in het toekomstige media- en communicatielandschap en van het aantal bestaande omroepverenigingen dat bereid blijkt zich te voegen in de nieuwe conceptie van de publieke omroep.

De nu gepresenteerde voorstellen voor de organisatie van de publieke omroep na 2000 zijn niet nieuw, meent Nuis. “Sommige voorstellen zijn al zo'n 25 jaar oud. Het nieuws is echter dat ze nu bij elkaar zijn gebracht en ook nog politiek realiseerbaar gemaakt.”

De invloed van de traditionele omroepverenigingen nog verder beknotten, zoals VVD-leider F. Bolkestein vorige week bepleitte, acht Nuis niet wenselijk. Bolkestein wil af van het recht van voordracht van de omroepen bij de overheidsbenoeming van toekomstige omroepbestuurders, zoals Nuis dat nog voor het jaar 2000 wil invoeren. De omroepen ook nog het recht op voordracht ontnemen zou 'te staatsomroepachtig' zijn, meent Nuis. De overheid moet volgens hem, ook ten aanzien van de publieke omroep, “op afstand blijven”.