Tweede Kamer sluit ten langen leste IRT-affaire af

DEN HAAG, 9 NOV. Zo'n tien debatten zijn sinds januari 1994 in de Tweede Kamer gevoerd over de IRT-affaire. Deze week, in de nacht van donderdag op vrijdag, werd het laatste hoofdstuk in dit 'spannende jongensboek' afgesloten - voor zover op dit moment valt te overzien. D66-minister Sorgdrager (Justitie) en VVD-minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) hebben hun werk gedaan, maar de Kamer bleef achter met een knagend gevoel van ontevredenheid over de aanpak van het falende politie- en justitiepersoneel. Meer dan een zes-minnetje zat er voor de ministers niet in.

De overplaatsing van een aantal officieren van justitie en korpschefs en vele “indringende gesprekken” met de betrokkenen was alles wat Sorgdrager en Dijkstal meebrachten naar de Kamer. Geen ontslagen, degradaties of berispingen, ondanks het feit dat de Kamerfracties keer op keer op parlementaire wijze hadden gepleit voor 'bloed'.

Het onderzoek naar het functioneren van individuele officieren van justitie dat Sorgdrager had uitbesteed aan procureur-generaal Ficq, bood Sorgdrager geen ruimte tot dergelijke harde maatregelen. De normen en verantwoordelijkheden lagen destijds anders en bovendien was het falen van een organisatie niet één of twee officieren aan te rekenen.

De officieren Van der Veen en Van Capelle, die aantoonbaar fouten hadden gemaakt, hadden de laatste twee jaar al zoveel negatieve publiciteit over zich heen gehad dat minister Sorgdrager niet nog meer zout in de wonden wilde strooien. Een edelmoedig gebaar, want het was Van der Veen die de minister in 1995 zwaar in de problemen bracht door haar verkeerde informatie te verstrekken over een xtconderzoek. Op basis daarvan informeerde Sorgdrager de Tweede Kamer onjuist. Het incident werd echter begripvol door de vingers gezien.

Minister Dijkstal verschool zich - geheel volgens de verwachting - opnieuw achter het standpunt dat een minister van Binnenlandse Zaken nu eenmaal onvoldoende bevoegdheden heeft om politiemensen persoonlijk aan te spreken en te beoordelen. Het strenge ambtenarenrecht deed de rest.

Het kostte de Tweede Kamer deze week de grootste moeite om de gang van zaken te accepteren. De rapporten van de commissie-Wierenga, de enquêtecommissie en de rijksrecherche waren duidelijk geweest. Justitie en politie hadden gefaald. De crisis in de opsporing was diep. Het vertrouwen van de burgers minimaal. “Het kan niet bij het vertrek van één procureur-generaal blijven”, riep enquêtevoorzitter Van Traa onlangs nog maar eens, doelend op de voormalige Amsterdamse PG Van Randwijck.

De teneur was daarmee gezet. De verwachtingen omtrent een op handen zijnde carrousel in het opsporingsapparaat, wellicht een golf van ontslagen en berispingen, waren hoog gespannen. In mei, tijdens het debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden, hadden zowel de coalitie als de oppositie daarom hoog ingezet.

Het kwam er niet van, zo bleek uit het plan van aanpak van Sorgdrager en Dijkstal. “Onbevredigend”, zo luidde de term waarmee de coalitie haar teleurstelling deze week uitte. De oppositie, onder aanvoering van Hillen (CDA), vond “tekortschieten” meer op zijn plaats en legde het vast in een motie. 'Onbevredigend' betekende volgens Kalsbeek (PvdA) “een belangrijk signaal” aan het kabinet. Het IRT-dossier moest maar worden dichtgeslagen. “We moeten nu gewoon door.”

Eigenlijk was de hele Kamer het er dus over eens dat de ministers het niet goed hadden gedaan. Maar in de CAO van Kamerleden in de oppositie staat dat zij de plicht hebben te zagen aan de stoelpoten van ministers waar en wanneer dat mogelijk is. En de coalitie moet nu eenmaal verder en geeft daarom in onbevredigende situaties slechts “een signaal” af. Of, zoals Rabbae (GroenLinks) het verwoordde tegenover Kalsbeek: “Hoewel u materieel gezien dezelfde ontevredenheid hebt ten aanzien van het plan van aanpak als de andere fracties, bent u zeer waarschijnlijk door coalitieverhoudingen gedwongen om een eigen positie in te nemen.” Zo ontstond in de nachtelijke uren nog een politiek-rituele stoelendans over de vraag of het IRT-dossier de positie van de ministers in het geding zou moeten brengen.

De vertrouwensvraag was echter niet aan de orde. Sorgdrager was vanaf het allereerste begin vastgeketend aan minister Dijkstal, tevens vice-premier. Een motie van afkeuring tegen één van beiden zou daarom automatisch het voortbestaan van het kabinet-Kok in gevaar brengen. Daarom kon minister Sorgdrager aan het slot, zonder al te veel risico, zelf de conclusie trekken dat de meerderheid van de Kamer voldoende vertrouwen heeft in de huidige bewindslieden, ondanks alle kritiek. Na het gedwongen vertrek van de vorige ministers, Hirsch Ballin (CDA) en Van Thijn (PvdA), was het opstappen van nog twee 'IRT-ministers' de Kamer wat te gortig.

Het is nu afwachten of de genomen maatregelen daadwerkelijk zullen leiden tot herstel van het vertrouwen in het opsporingsapparaat. Er zijn, in de woorden van Kalsbeek, “lijntjes doorgeknipt” met de overplaatsing van een aantal hoofdpersonen. Als daarmee al de Kamerbreed gewenste “cultuuromslag” wordt bereikt, zal dat een zaak van lange adem zijn. De grootscheepse reorganisatie van het openbaar ministerie onder leiding van minister Sorgdrager en de eigenzinnige procureur-generaal Docters van Leeuwen moet daar op den duur garant voor staan.

De stelling dat “alles bleef zoals het was” van het Kamerlid Hillen lijkt de afwikkeling van de IRT-affaire tekort te doen. De imposante lijst van incidenten, onderzoeken, debatten, afgetreden ministers en beschadigde ambtelijke loopbanen heeft enerzijds geleid tot een verhoogd bewustzijn bij politie, justitie, politiek en burgers over de grenzen van de opsporing, en anderzijds tot een discussie die men jarenlang vergeten was te voeren. Die grenzen zullen de komende jaren worden vastgelegd in een indrukwekkend pakket nieuwe wetgeving, zoals voorgesteld door de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden.

Als alles goed gaat weten politiemensen, officieren van justitie, hoofdofficieren, procureurs-generaal én de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken straks tot in detail welke bevoegdheden en verantwoordelijkheden zij hebben bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

En daar was het op 7 december 1993, toen de Amsterdamse driehoek bekendmaakte dat het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht was opgeheven wegens een ongeoorloofde opsporingsmethode, allemaal om begonnen.