'Toegang' tot voedsel sleutelwoord in Rome

Bent u soms vóór honger?'', vroeg de diplomaat uit een ontwikkelingsland aan een collega uit een rijk land. De corpulente vragensteller kreeg geen antwoord van de met een dieet worstelende aangesprokene - de sociale status van een dikke buik is omgekeerd evenredig met de beschikbaarheid van voedsel. Niemand is voor honger. Vraag is alleen hoe je die zo effectief mogelijk kunt bestrijden.

Daar zal het komende week, van 13 tot en met 17 november, over gaan op de Wereldvoedseltop in Rome. Grofweg staan twee standpunten tegenover elkaar. De ontwikkelingslanden leggen de nadruk op produktieverhoging, op betere technologie. Daar willen ze hulp bij hebben. De rijke landen benaderen het probleem breder. Honger komt niet alleen doordat er te weinig voedsel beschikbaar is. Honger wordt ook veroorzaakt door armoede, slecht onderwijs, een gebrekkige infrastructuur en een slecht functionerend marktmechanisme. Door corruptie en onbekwaamheid binnen de overheid. Door regels die de internationale handel beperken. Dat betekent onder andere dat, om iedereen het recht op voedsel te garanderen, ontwikkelingslanden intern zelf ook orde op zaken moeten stellen.

Op de Wereldvoedseltop in 1974 verklaarden de deelnemers met het optimisme uit die tijd dat de honger in tien jaar de wereld uit zou zijn. Toen ging het vooral over produktie. Maar nu is gebleken dat 'Toegang tot voedsel', de sleutelterm op de top in Rome, veel meer impliceert dan produktieverhoging.

Na taaie onderhandelingen is vorige week overeenstemming bereikt over de slotverklaring en het actieplan. Uitdrukkelijk is afgesproken dat het niet om geld of nieuwe organisaties gaat. Over de produktiekant waren de diplomaten het redelijk snel eens. Met het voorbehoud dat het milieu er niet onder mag lijden en dat het voedsel ten goede moet komen aan heel de bevolking, zijn daarover afspraken te maken. Maar andere elementen stuitten op meer bezwaren. Sommige ontwikkelingslanden hebben het gevoel dat de rijke wereld zich wil bemoeien met de gang van zaken in hun land.

In een toespraak op de Landbouwuniversiteit van Wageningen heeft premier Kok de bevolkingsgroei “de moeder van alle problemen” genoemd. In alle rekensommen komen de cijfers terug. Er zijn nu 5,4 miljard mensen. In het jaar 2030 zullen dat er drie miljard meer zijn, als de huidige tendens doorzet. India alleen al gaat in een paar decennia van 800 miljoen naar 1,4 miljard inwoners. Van die bevolkingsaanwas doet 94 procent zich voor in de ontwikkelingslanden. Om ervoor te zorgen dat al deze mensen te eten hebben, is een enorme inspanning nodig, waarschuwt de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties, initiatiefnemer van de voedseltop.

In Rome, de stad van de paus, blijkt het moeizaam praten over bevolkingspolitiek als instrument voor voedselzekerheid. Europese diplomaten protesteren dat islamitische landen als Jemen, Iran en Libië proberen de afspraken en conclusies van de bevolkingsconferentie in Kairo af te zwakken of te negeren. Een FAO-medewerker wijst erop dat sommige landen geen boodschap hebben aan bevolkingspolitiek en dat een land als Maleisië openlijk zegt dat het ernaar streeft zijn inwonertal zo snel mogelijk te verdubbelen. De directeur-generaal van de FAO, de Senegalees Jacques Diouf, verklaart dat hij niet over bevolkingspolitiek gaat.

Los van de verwachte bevolkingsgroei is de situatie nu ernstig genoeg. Ongeveer 840 miljoen mensen, twintig procent van de bevolking in de ontwikkelingslanden, is ondervoed. Tweehonderd miljoen kinderen onder de vijf jaar hebben een tekort aan eiwitten, wat ook hun geestelijke ontwikkeling afremt. Per jaar overlijden elf miljoen kinderen aan ondervoeding. De beschikbare landbouwgrond was in 1950 een halve hectare per hoofd van de bevolking. Honderd jaar later zal dat zijn geslonken naar 0,2 tot 0,1 hectare per hoofd, afhankelijk van de feitelijke bevolkingsgroei. De wereld dreigt die 840 miljoen mensen, meer dan het inwonertal in de Verenigde Staten en Europa samen, te vergeten, zo waarschuwt Diouf.

In een gesprek op het FAO-hoofdkwartier in Rome somt hij de problemen op. De voedselhulp is de afgelopen drie jaar gehalveerd. Het geld dat beschikbaar wordt gesteld voor landbouwonderzoek is fors gedaald. De graanreserves zijn sinds begin jaren zeventig niet meer zo laag geweest en liggen twee procent onder het minimum van zeventien procent van de totale consumptie die de FAO nodig acht. De 82 arme landen die zelf onvoldoende voedsel kunnen produceren, moeten steeds meer van hun kostbare buitenlandse valuta besteden om voedsel te kopen. “De wereld is zijn compassie met de mensen die honger hebben kwijt”, zegt Diouf. “De Wereldvoedseltop moet het probleem van de honger weer hoog op de internationale politieke agenda zetten.”

Niet iedereen vindt dat Diouf gelijk heeft met zijn alarm. Hoewel de FAO “uit veiligheidsoverwegingen” geen mededelingen doet over de gasten, wordt verwacht dat de leiders van de G7 landen voor het merendeel verstek laten gaan. Niemand bestrijdt dat 840 miljoen ondervoede mensen een serieus probleem vormen. Maar de top wordt ook gezien als een poging van de Senegalees Diouf om zichzelf en de FAO in het zonnetje te zetten.

In de voedselvoorziening is de afgelopen decennia veel vooruitgang geboekt. Ten tijde van de Wereldvoedselconferentie in 1974 was er sprake van acute hongersnood, met name in delen van Afrika. De afgelopen tien jaar zijn zulke noodsituaties niet meer voorgekomen. Er wordt nu in principe voldoende voedsel geproduceerd om iedereen te eten te kunnen geven. En paradoxaal genoeg ziet het ernaar uit dat dit jaar een absoluut record wordt geboekt in de voedselproduktie. Dat mensen honger lijden komt door distributieproblemen, armoede, ongelijkheid, oorlog - niet omdat er geen voedsel is. De FAO voorspelt dat het aantal ondervoeden zal slinken naar 650 miljoen in 2010. Procentueel is dat een daling van twintig naar twaalf procent.

In die globale cijfers zit echter de dramatische situatie in Afrika en delen van Azië verstopt. De combinatie van bevolkingsgroei, slechte grond, gebrek aan water en slechte infrastructuur leidt tot dramatische scenario's voor de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara. Het aantal ondervoeden in dat gebied zal volgens de FAO stijgen van 200 miljoen naar 300 miljoen in het jaar 2010. Het is vooral de tendens die zorgen baart. De meeste ondervoeden, 250 miljoen, bevinden zich nu nog in Zuid-Azië. Maar dat aantal zal ongeveer stabiel blijven. Bovendien stijgt in Zuid-Azië het aantal geconsumeerde kilocalorieën per dag. In Afrika ten zuiden van de Sahara zal het aantal kilocalorieën in 2010 ongeveer stabiel blijven op 2170 per hoofd per dag, ruim onder het gemiddelde van 3470 van de ontwikkelde landen. Over vijftien jaar hebben Oost-Azië (inclusief China), Noord-Afrika en het Nabije Oosten, en Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied waarschijnlijk de grens van 3000 calorieën per dag benaderd of overschreden.

Volgens de FAO is het tijd voor een nieuwe Groene Revolutie. In de jaren zestig en zeventig zijn met name in Aziatische landen als India, Pakistan en Indonesië, waar toen de meeste problemen waren, enorme sprongen vooruit gemaakt. Veredelde rassen, meer irrigatie, meer kunstmest en meer pesticiden waren de belangrijkste ingrediënten.

Met name in Afrika is veel ruimte voor de introductie van nieuwe landbouwtechnologie. Waar andere gebieden bijvoorbeeld kampen met milieuproblemen door overvloedig gebruik van kunstmest, raakt in veel Afrikaanse landen de bodem uitgeput omdat er te weinig kunstmest wordt gebruikt. Daar is eerder sprake van onder- dan overgebruik. Tegen de 79 kilo kunstmest die rond 1990 per hectare landbouwgrond in Oost-Azië werd gebruikt, staat elf kilo in Afrika ten zuiden van de Sahara.

In Afrika is ook weinig geëxperimenteerd met gewasveredeling. Deskundigen zeggen dat bijvoorbeeld met de inheemse cassave, uit de wortels waarvan het voedzame tapioca-meel wordt gehaald, enorme vooruitgang kan worden geboekt. In het algemeen geldt dat inheemse gewassen relatief weinig aandacht hebben gekregen in het landbouwonderzoek, dat zich heeft geconcentreerd op tarwe, rijst en maïs, de drie hoofdgewassen in de wereld. Maar juist lokale gewassen zijn vaak, beter dan geïmporteerde varianten, goed te versterken en resistenter te maken tegen droogte, wormen, verzilting en lokale ziektes. Daarom is handhaving van de diversiteit in de plantenwereld van levensbelang. Ook voor de landbouw in de rijke landen: bij gewasveredeling wordt veel gebruik gemaakt van plantgenetisch materiaal uit de Derde Wereld.

Volgens de FAO is het beste middel tot verhoging van de voedselproduktie op veel plaatsen niet zozeer het zoeken naar en gereed maken van nieuwe landbouwgrond, maar het efficiënter en schoner verbouwen op de nu gebruikte grond. Dat moet ook nieuwe schade aan het milieu voorkomen en de druk verminderen op gebieden die gevoelig zijn voor de verschillende vormen van erosie. Dezelfde grond moet meer mensen voeden.

Technisch is nog veel mogelijk. Het Internationale Rijstinstituut schat bijvoorbeeld dat de opbrengst per hectare rijst van de huidige 3,5 ton kan stijgen naar 15 ton. Daarnaast zouden veel gebieden moeten worden schoongemaakt die door verkeerde irrigatie of overbemesting vervuild zijn geraakt. Diversiteit in gewassen kan helpen uitputting van de bodem te voorkomen. En een combinatie van nauwkeuriger bemesten en gebruik maken van natuurlijke vijanden bij de ziektebestrijding, het zogeheten systeem Integrated Pest Management, biedt goede perspectieven. In een land als Indonesië wordt deze methode met succes toegepast in de rijstbouw. Voor graan en maïs moet zij nog verder worden ontwikkeld.

Volgens de FAO zal de produktie van belangrijke voedselproducenten als Noord-Amerika, Australië, Argentinië en Thailand verder omhoog moeten. Verder zijn volgens deze organisatie forse produktiesprongen mogelijk in landen als Oekraïne en Wit-Rusland.

Stafmedewerkers van de FAO onderstrepen dat algemene oplossingen niet te geven zijn. Ieder land, ieder gebied heeft zijn eigen problemen. In Afrika is het hoofdprobleem een gebrek aan goede en aan de lokale omstandigheden aangepaste technologie. Bovendien speelt daar een enorm infrastructureel probleem. In Latijns Amerika is het van alles wat. Bolivia, Peru en Suriname hebben nog veel goede landbouwgrond beschikbaar, terwijl Brazilië vrijwel geen speling meer heeft en kampt met ontbossing en bodemverarming. In Argentinië speelt weer het probleem dat het land zijn produkten niet goed kwijt kan op de wereldmarkt. Aziatische landen als Pakistan, India en Bangladesh hebben een enorm tekort aan land. De enige oplossing daar is beter gebruik van de bestaande landbouwgronden.

Ook binnen landen zijn verschillende strategieën nodig om voedselzekerheid te bereiken. Boeren hebben behoefte aan betere technologie, betere toegang tot de markt, betere distributie. Voor landarbeiders zonder eigen grond is honger vooral een sociaal-economisch probleem, een gevolg van uitbuiting. In de steden gaat het om werk dat mensen geld oplevert om voedsel te kopen. “Er is niet één oplossing,” zegt Diouf. “Honger is een ingewikkeld probleem met veel facetten. Maar de wereld mag niet negeren dat honderden miljoenen mensen onvoldoende te eten hebben.” Het Dossier Wereldvoedseltop is te vinden op de Webpagina's van NRC Handelsblad: http://www.nrc.nl/