Srebrenica-onderzoekers moeten als ingenieurs een brug bouwen naar het hart van het verleden; De waarheidsmachine

Wat heeft zich precies afgespeeld rond de val van Srebrenica? Het kabinet wil het weten en het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie moet voorzien in de democratische behoefte aan een antwoord. Voor de politiek is het aankondigen van het onderzoek belangrijker dan de uitkomst. De historicus als detective op zoek naar (on)schuld.

Ventilatoren wieken boven de lege tafels van het gemeente-archief van Los Angeles. Privédetective J.J. Gittes vervoegt zich bij de balie. “Waar vind ik de registers van de noordwestelijke vallei?” De klerk wijst hem zuchtend de kast. “Gluiperd”, mompelt Gittes en hij begint te bladeren in de kadastrale leggers. “Kan ik dit boek even meenemen”, vraagt hij dan. “Wij zijn geen bibliotheek, meneer”, zegt de klerk met superieure minachting, “wij zijn het archief.” “Aha. Heeft u dan misschien een lineaal? De letters zijn zo klein en ik ben mijn bril vergeten.” De klerk grist in zijn la en slaat een lineaal op tafel. Gittes wandelt terug naar zijn plaats, opent het boek en legt de lat op de pagina. Niet horizontaal maar verticaal. Hij pakt het oor van de bladzijde, werpt een blik op de klerk, die ostentatief de andere kant uitkijkt, niest dan en scheurt tegelijk de reep papier uit het boek.

Het cliché van de waarheid als puzzel. Het doet er niet toe hoe je de stukjes bij elkaar krijgt, als het beeld maar compleet wordt. Detective Gittes, het filmpersonage van Jack Nicholson in Chinatown, vernielt niet alleen officiële stukken, hij liegt en hij steelt ook. Alles voor de waarheid, in dit geval de toedracht van een moord. (Dat hij, als het laatste puzzelstukje uiteindelijk op zijn plaats valt, daarmee het doodvonnis tekent van zijn geliefde, dat is goed voor het drama.)

Het parlement wil de waarheid weten over de gebeurtenissen in de voormalige VN-safe area Srebrenica, gedurende de tijd dat zich daar Nederlandse soldaten ophielden. Het kabinet heeft daarvoor geen detective ingehuurd, maar een historicus. Het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie (RIOD) moet “vanuit historisch perspectief in zowel nationale als internationale context inzicht [verschaffen] in de oorzaken en gebeurtenissen die hebben geleid tot de val van Srebrenica en tot de dramatische ontwikkelingen die daarop zijn gevolgd”. Zo staat het althans in de moeizaam tot stand gekomen opdracht van het kabinet.

De verovering van de Bosnische enclave Srebrenica door de Serviërs, op 11 juli 1995, onder het oog van het bataljon Dutchbat, en de massale moord op moslimmannen direct daarna, is al van vele kanten onderzocht. Militaire diensten, regeringscommissies, journalisten uit binnen- en buitenland hebben zich op Srebrenica gestort en zijn allen met stukken van de puzzel aangekomen. De meeste van die bevindingen zijn als nieuws gepresenteerd in de media; het RIOD-onderzoek was al nieuws voordat de onderzoekers nog maar één stukje hadden kunnen zoeken. “Typisch Nederlands”, vindt M. Brands, hoogleraar nieuwe en nieuwste geschiedenis aan de universiteit van Amsterdam. “De zaak zelf - het uitzenden van militairen naar oorlogsgebied - kunnen we niet aan, dus storten we ons met alle energie op de bijzaak - een onderzoek daarnaar.”

In de verhitte discussie over de kabinetsopdracht klonk voortdurend, en bij alle partijen, het ontzag door voor de historisch wetenschap. De onderzoekers zouden als ingenieurs een brug bouwen naar het hart van dat verleden. De ministers schrijven in hun opdrachtsbrief aan RIOD-directeur H. Blom: “Het kabinet hecht grote waarde aan dit historisch wetenschappelijk onderzoek.” Een woordvoerder van het ministerie van Defensie zei zondag tegen een televisiejournalist dat gedurende de werkzaamheden van het RIOD ,geen mededelingen meer over Srebrenica of Dutchbat zouden worden gedaan. De implicatie was duidelijk: heb geduld, over een paar jaar kennen we de waarheid.

Maar ook zij die twijfelen aan het nut of aan de wetenschappelijkheid van dít onderzoek, geven blijk van een groot vertrouwen in de mogelijkheden van de wetenschap om een complexe historische gebeurtenis vast te leggen. Emeritus hoogleraar H. von der Dunk, vorig jaar uitgeroepen tot de 'machtigste historicus van Nederland', ziet niets in het onderzoek. Maar alleen omdat hij de tijd nog niet rijp acht. De betrokken personen, de getuigen “staan immers nog midden in hun politieke carrière”. Al zouden ze bereid zijn tot een gesprek met de onderzoekers, dan “zullen ze hun woorden op een goudschaaltje leggen”, aldus Von der Dunk.

Toch zijn onbetrouwbare of ronduit liegende bronnen dagelijkse kost voor de geschiedschrijver. Of zou Von der Dunk, die vele malen heeft geschreven over de Tweede Wereldoorlog, de propaganda van Joseph Goebbels daarbij ongebruikt laten, alleen omdat hij weet dat die de werkelijkheid verdraaide? Nee toch? Hij past bronnenkritiek toe, daar heeft hij voor doorgeleerd.

De meeste twijfelaars hebben gewezen op de onmogelijkheid voor deze drie mannen om alle bronnen te vergaren. Secretaris-generaal Solana van de NAVO heeft al verklaard dat de archieven van de militaire organisatie inderdaad dicht zullen blijven voor de onderzoekers. “Wat hadden ze dan verwacht?” zegt Brands. “Dat Solana zou zeggen: ze zijn van harte welkom bij onze geheime stukken? Maar ik kan u verzekeren dat er genoeg mensen rondlopen die willen praten. En Blom is een speurhond.”

Al in 1951 zei de historicus A.E. Cohen, bij een bespreking van de moeilijkheden waarop de contemporain historicus stuit, dat “de geschiedvorser van de Tweede Wereldoorlog meer moet zijn dan een boekenwurm (...) Hij moet iets of soms veel in zich hebben van een rechercheur en van een enquêteur”, die snel reageert op het antwoord dat de levende getuige hem geeft en zich afvraagt “waar klopt hier iets niet?” Overigens stelde Cohen zijn gehoor dadelijk gerust: “Niet elke historicus [kan] tegelijk die drie dingen zijn, dat hoeft ook niet.” En hij beval van harte samenwerking aan. Het kan geen toeval zijn dat het RIOD inmiddels drie buitenstaanders heeft aangetrokken om het onderzoek uit te voeren: A. Kersten, kenner van internationale betrekkingen, P. Koedijk, journalist en 'archiefrat', en de militair historicus D. Schoonoord.

Bovendien, al kan het RIOD niet rekenen op werkelijk àlle bronnen, wat dan nog? Dat is alweer dagelijkse kost in de geschiedschrijving. Historici die de nazi-campagnes in de Sovjet-Unie bestudeerden, hebben decennialang geen onderzoek kunnen doen in de Sovjet-archieven. Desondanks zijn er boeken over volgeschreven, die allemaal het predikaat 'wetenschappelijk' mogen dragen. Sommige bleken te moeten worden bijgesteld, toen de Sovjet-archieven opengingen, andere hoefden alleen te worden aangevuld.

Alle reden, zou je zeggen, om aan te nemen dat de onderzoekers een doodgewone historische monografie zullen afleveren over de val van Srebrenica. Een boek - geen rapport - waarin op basis van bronnen, feiten worden geordend en op basis van analyse één of meer stellingen worden geformuleerd. Waar een volgende historicus tegen kan opponeren en waarvan in de verre toekomst misschien niet meer dan de historische waarde wordt gezien - als de NAVO-archieven wel toegankelijk zijn geworden, bijvoorbeeld.

Dat kan, maar voorlopig lijkt het er niet op.

Twee omstandigheden geven het RIOD-onderzoek namelijk een uitzonderlijke betekenis. Dat is in de eerste plaats de status van het instituut zelf. RIOD-bestuurder en Leids hoogleraar J. Bank heeft zich vorig jaar uitgelaten over de toekomst van het instituut dat, met de toenemende afstand tot de Tweede Wereldoorlog, aan zijn oorspronkelijke onderzoeksobject misschien niet meer genoeg heeft. Hij zou graag zien dat het instituut de historische ombudsman voor prangende nationale kwesties wordt. Bank was te bescheiden. Het RIOD vervult die functie al jaren.

Onder zijn eerste directeur, L. de Jong, is het RIOD de nationale waarheidsmachine geweest. Wil prinses Beatrix trouwen met een Duitser? De Jong moet het doopceel lichten van de verlegen verloofde en zijn jawoord geven. Gaan er geruchten over het oorlogsverleden van Willem Aantjes? De Jong spit het uit, klaagt in een rechtstreekse televisie-uitzending als een officier van justitie de politicus aan, en veroordeelt hem in één moeite door. Wil de TROS de tv-serie 'Holocaust' uitzenden? De Jong mag zeggen of de serie deugt.

In zijn laatste bundel, Burgerlijk en beheerst, bespreekt Blom de betekenis van zijn voorganger bij het RIOD. Hij haalt aan hoe de Amsterdamse burgemeester Van Thijn in 1988 De Jong toesprak bij de uitreiking van een prijs: “De Jong locutus causa finita” - als De Jong heeft gesproken, is het pleit beslecht. Blom kan het daar dan niet mee eens zijn, de uitspraak geeft wel aan welke onaantastbare status zijn voorganger had. De Jong was geen detective, speurend naar de waarheid, hij was de rechter, wiens woord het laatste woord was. De Jong 'pontificeerde', zoals een collega-historicus het uitdrukte.

Een rechter heeft de maatschappelijke taak tot het laatste woord te komen en het hele strafstelsel is gebouwd op het vaste vertrouwen dat zijn laatste woord ook de Waarheid weergeeft. De historicus stelt zich wat dat betreft kwetsbaar op, om het zo maar eens uit te drukken. Die laat in een notenapparaat zijn bronnen zien, juist om zich bloot te stellen aan de volgende generatie onderzoekers die, gewapend met nieuwe bronnen of nieuwe inzichten, een nieuw voorlopig laatste woord formuleren. In het cliché van Geyl: de geschiedenis is een discussie zonder einde.

Maar het RIOD van De Jong heeft in zijn bekendste onderzoeken altijd gewerkt met een schuldvraag. Het hangt samen met het unieke onderzoeksobject van het instituut: de Tweede Wereldoorlog. De duidelijke maatschappelijke consensus over goed en fout in die jaren - en ook na de oorlog - drong als vanzelf steeds de schuldvraag naar voren.

Dat leidt ons naar de andere bijzonderheid van het Srebrenica-onderzoek: de vraagstelling.

Het RIOD moet voorzien in de democratische behoefte aan een antwoord op de vraag: wie heeft het in Srebrenica verkeerd gedaan? Waren wij het? Of de buitenwereld? De historici-detectives van het RIOD waren daarbij niet de eerste keus van het parlement. Het liefst had Nederland een internationaal onderzoek gezien, onder auspiciën van de Verenigde Naties. Maar die hebben wel wat beters te doen dan te voldoen aan de typisch “Hollandse eigenaardigheid” van “een gecombineerde poging tot schuldafwenteling en zelfkastijding”, schreef J. Bik in deze krant vorige week.

F. Ankersmit, hoogleraar theoretische geschiedenis in Groningen, vraagt zich af of de vraagstelling 'heeft de Nederlandse militaire aanwezigheid daar goed gefunctioneerd?' wel ten grondslag kan liggen aan zuiver historisch onderzoek. “Dat is meer een vraag voor de rechtercommissaris.”

Onder het kopje 'strekking en reikwijdte van de opdracht' schrijven de ministers: “Het onderzoek heeft betrekking op de gebeurtenissen voor, tijdens en na de val van de enclave die in onderlinge samenhang worden bezien tegen de achtergrond van politieke en militaire gebeurtenissen in Bosnië-Herzegowina en tegen de achtegrond van het internationale overleg ter zake. Het ligt in de rede dat de studie onder meer ingaat op het VN-concept van de safe areas, het optreden en de commandostructuur van de VN-vredesmacht, de besluitvorming in de Verenigde Naties en de NAVO, de Nederlandse besluitvorming en parlementaire betrokkenheid daarbij, het optreden van Dutchbat, de inzet van het NAVO-luchtwapen, de blokkade en inname van Srebrenica en het optreden van de Bosnische Serviërs na de val van de enclave. Het staat het RIOD vrij het onderzoek binnen dit kader naar eigen inzicht vorm te geven.”

Bij het RIOD vinden ze dat ze hiermee alle vrijheid hebben om het onderzoek naar eigen inzicht in te richten. Ankersmit betwijfelt dat. “De vraag 'schuldig of onschuldig' is een atypische vraag in het historisch debat. Met die vraag zet je een ongezonde spanning op de feiten. De historicus rangschikt de feiten niet om een 'zaak' te maken. Hij is geen detective.

“Je zou kunnen zeggen dat de historicus altijd het ideale antwoord zoekt op de vraagstelling die uit het materiaal oprijst. Hij treft een complex van feiten aan en probeert dat te verklaren. Historisch onderzoek is steeds geïnspireerd door 'wat is de beste vraag'? Blom zal er op moeten toezien dat zijn betoog een antwoord geeft op de vraag die hem door het kabinet is gesteld.”

Ook Brands, die Blom met vuur verdedigt (“wat een negatief land is dit toch!”) erkent dat de politieke dimensie van het onderzoek een bezwaar kan zijn. “De politiek kan het gebruiken.”

Directeur A. van Staden van het instituut Clingendael voor internationale betrekkingen is gewend aan dat risico, dat groter is naarmate het onderzoeksobject dichter bij onze tijd ligt. Zijn instituut, dat een eigen onderzoek zal doen naar de besluitvorming rond Srebrenica, opereert altijd op het breukvlak tussen zuivere wetenschap en beleid. “Dat is moeilijk, maar tegelijkertijd ook onze bestaansgrond.”

Intussen heeft het onderzoek zijn belangrijkste politieke doel in feite al verwezenlijkt: de aankondiging ervan is voor politici belangrijker dan de uitslag. Er is een maatschappelijk vraagstuk, de Kamer heeft een commisie ingesteld en gaat over tot de orde van de dag. En als de onderzoekers hun puzzel in elkaar hebben gepast, naar verwachting over twee à drie jaar, presenteren zij die aan een nieuw kabinet, waar van politieke verantwoordelijkheid voor 'Srebrenica' geen sprake meer zal zijn.

    • Bas Blokker