Satellieten ontdekken smeltwaterspurt van Groenlandse gletsjer

De Ryder-gletsjer, in het noorden van Groenland, heeft zich in oktober vorig jaar korte tijd veel sneller verplaatst dan hij normaal doet. Dat hebben Amerikaanse onderzoekers afgeleid uit radaropnamen gemaakt door de Europese aardonderzoeksatellieten ERS-1 en ERS-2. Deze satellieten, die op een hoogte van 780 kilometer rond de aarde draaien, hebben geavanceerde synthese-radars aan boord waarmee driedimensionale beelden van het aardoppervlak kunnen worden gemaakt.

En door het combineren van (radar)beelden die na elkaar van een veranderend oppervlak zijn gemaakt, ontstaan interferogrammen die zulke veranderingen zicht- en meetbaar maken.

In de afgelopen paar jaar hebben onderzoekers met behulp van deze techniek al met succes bodembewegingen als gevolg van aardbevingen en vulkanische activiteit gemeten. Onderzoekers van de universiteit van Maryland en van het California Institute of Technology hebben deze techniek nu toegepast bij het bestuderen van de Ryder-gletsjer in Groenland. Deze middelgrote gletsjer heeft een gemiddelde snelheid van 100 tot 500 meter per jaar en transporteert per jaar ongeveer 5 kubieke kilometer ijs (1,7 procent van het totaal op Groenland) naar de aan de Lincolnzee gelegen Sherard Osborn-fjord.

De onderzoekers stelden interferogrammen samen met de radaropnamen die de twee satellieten vorig jaar september, oktober en november van het desbetreffende gebied hadden gemaakt. Hieruit kon worden afgeleid dat het gletsjerijs zich op hoogten beneden de 1100 meter enige tijd ten minste driemaal zo snel had verplaatst als normaal. Deze snellere beweging duurde hooguit zeven weken en misschien zelfs slechts enkele dagen. Opmerkelijk was dat in diezelfde periode enkele smeltwatermeren waren verdwenen die zich in het voorafgaande warmere seizoen op het ijs hadden gevormd (Science 11 oktober).

Misschien was de gletsjer tijdelijk 'doorgeschoten' nadat het water in de meren via spleten in het ijs naar de bedding van de gletsjer was doorgedrongen. Dit water zou dan de wrijving tussen ijs en bedding hebben verkleind. Maar ook het omgekeerde is mogelijk. Door de snellere beweging van het ijs zouden dichtgevroren gletsjerspleten kunnen zijn geopend, waardoor het smeltwater in de meren kon weglopen. In dit geval zou het verdwijnen van de meren dus het gevolg en niet de oorzaak van de snellere beweging van de gletsjer zijn geweest en blijft de vraag naar de oorzaak van deze laatste open.