RUNEN

Het intrigeert mij hoe de Betuwse runeninscriptie achterop het zwaardbeslag tot stand gekomen is. (W&O 26 oktober, 'Vier woorden, 24 tekens'). Iemand heeft het kennelijk nodig gevonden op het kostbare stuk aan te geven dat het van hem was. De tekens zijn er wat onhandig en in ieder geval ongetraind ingekerfd.

Hij begon links en merkte halverwege dat hij ruimte tekort kwam. Daarom werden de volgende letters wat kleiner zodat er verder plaats was voor twee regels, die gescheiden werden door een slordige streep.

Heel anders dan op de andere twee gereproduceerde kunstwerken waar de tekst één geheel vormt met het kunstwerk, zijn op het zwaardbeslag versiering en tekst zaken die los van elkaar staan. Bovendien: stel dat een belangrijk persoon zo'n beslag heeft laten maken. Zou hij dan zo in de achterkant gaan kerven of goedvinden dat een ander dat deed?

Mij verbaast het daarom dat als vanzelfsprekend ervan wordt uitgegaan dat de tekst van rond 400 dateert omdat de ornamentiek daarop wijst. Een aanwijzing dat dat mogelijk niet het geval is staat verderop in het artikel waar van een anachronisme sprake is in de interpretatie van mevrouw Looijenga omdat een woord dat zij meent te herkennen mogelijk pas 200 à 300 jaar later gebruikelijk zou zijn.

In mijn fantasie komt dan het beeld op van een strijder die een prachtig en bekend oud zwaard buit maakt en er vervolgens trots in kerft dat het nu voortaan van hem is. Hij zal het niet als erfstuk gekregen hebben, want dan zou men wel geweten hebben dat het van hem was en dan zou, naar ik vermoed, de tekst overbodig geweest zijn.

    • J.H. Luiten