Registratie van vermisten is onvolledig, inconsequent en achterhaald; Uit het oog, uit het hart

De zaak-Dutroux heeft de aandacht gevestigd op vermiste personen. Hoeveel mensen er worden vermist - een paar honderd, honderdduizenden? - niemand heeft het overzicht. Volgens de Britse kinderbescherming zijn er betere statistieken voor weggelopen honden dan voor vermiste kinderen. En wordt er wel naar ze gezocht? Als niemand je mist, ben je ook niet vermist.

'Vermiste Personen. Registratie en opsporing', eindred. S.A. Schouten. CRI themaboek, maart 1996. Andrew O' Hagan, The Missing. Londen, 1995 Picador ¢8 5,99. Vereniging Achterblijvers na Vermissing (VAV), Postbus 6, 3405 ZG Benschop. Tel. 020-6256942.

Op het pijnlijk schone station van Schiphol, waar buitenlandse schoonmakers steeds hun natte zwabbers behendig langs de voeten van welgestelde luchtreizigers manoeuvreren, lag vorige week - primeur! - één junk. Op een bank. De lucht die hij om zich heen verspreidde was onbeschrijfelijk, zijn uitstraling onaangenaam. De agressie waarmee hij vanaf zijn bank “een gulden voor een kopje koffie” eiste, dreef zelfs barmhartig geaarden weg. Ik keek naar hem: een jonge jongen. Als dat mijn broer, mijn zoon zou zijn, zou ik hem dan missen?

Mary McEwan uit Binham in Norfolk miste haar man, Donald. Bijna twee maanden lang. Toen werd hij dood in een greppel, naast een rotonde, teruggevonden. Gestorven aan een hartaanval en de gevolgen van blootstelling aan weer en wind. Donald was al een maand zoek toen Mary haar verhaal deed aan het Britse dagblad The Independent. De politie had het zoeken naar deze bejaarde misper (jargon voor 'missing person') toen al vrijwel opgegeven.

Mary had Donald even neergezet op een stoel bij de ingang van Sainsbury, de supermarkt. Het was niet hun eigen supermarkt, maar iedereen weet dat alle Sainsbury's van binnen sprekend op elkaar lijken: ze beginnen bij het fruit en ze eindigen bij de wijn en de frisdrank. Terwijl Mary door de paadjes met levensmiddelen racete, zat Donald, als altijd in hun eigen Sainsbury, tevreden bij de deur en lachte naar spelende kinderen bij de kassa's. Mary had nog naar hem gezwaaid en hij had teruggezwaaid. Toen ze zelf bij de kassa aankwam was hij weg en niemand die hem had gezien: een oudere man met wit haar en een beginnende dementie. De politie kamde de hele omgeving uit: niets.

“Je zou kunnen zeggen: hoe kun je zomaar je eigen man verliezen? Ik stel mezelf die vraag ook steeds maar.” En: “Zijn tijd in het onderwijs, veertig jaar, dat was bij hem al verdwenen. Maar zijn tijd in het leger, Birma, daar kon hij nog over praten alsof het gisteren was. Misschien dat de overlevingstactieken die hij toen geleerd heeft, hem nu nog overeind houden. Als hij misschien 's nachts buiten slaapt.” En: “Wat het meeste pijn doet is het niet weten wat er met hem is gebeurd. Hoe misschien zijn laatste momenten zijn geweest. Met niemand om zijn hand vast te houden...” En: “Sociale Zaken heeft zijn pensioen al stopgezet. Dat komt doordat ik hem als vermist heb opgegeven.”

Onder het etiket 'vermist' gaan eindeloze variaties schuil: van onverklaarbaar verdwenen tot er vandoor gegaan, van ontvoerd tot vermoord, van weggelopen tot ondergedoken. Er is vermist en vermist. En er is ge-mist. Het één vloeit logisch voort uit het andere: als niemand je mist, kun je nooit als vermist staan opgegeven. Meer dan de helft van de slachtoffers van Fred en Rosemary West was nooit als vermist opgegeven. De instellingen waarin ze een deel van hun kindertijd hadden doorgebracht, hadden de zin daarvan niet ingezien. Of de vader en moeder die hen hadden verwekt, vormden maximaal nog een disfunctioneel gezin, waarin verwaarlozing en mishandeling elkaar bij de hand hielden. Als de kelder van het House of Horrors op 25 Cromwell Street na twintig jaar niet de verrassing van al die lijken zou hebben prijsgegeven, zouden ten minste drie jonge meisjes van de aardbodem zijn verdwenen, zonder dat iemand zich hun lot ooit nog zou hebben aangetrokken.

Hoewel die uitspraak misschien iets té categorisch is. De moeder van Linda Gough (negentien jaar toen ze door de Wests werd vermoord) liep in de jaren na haar dochters verdwijning nog éénmaal door Cromwell Street om bij de Wests te vragen of haar dochter dáár misschien was komen wonen. Rosemary West liet haar niet verder komen dan de stoep. Linda, zei ze, was al lang vertrokken. Naar een onbekend adres. Dat haar dochter toen al onder de keldervloer lag, kon Mrs. Gough niet vermoeden. In de rechtszaak-West van twee jaar geleden zei de moeder dat ze met die uitleg genoegen had genomen. Zij het dat ze zich vluchtig had afgevraagd waarom Rosemary West pantoffels aan had die volgens haar die van Linda waren.

Computerbestand

Vermissingen - tenzij van hele kleine kinderen of zéér prominente personen - zijn nooit een prikkelend onderwerp geweest: noch bij politici noch bij politiemachten. Pas na de affaire-Dutroux struikelen in Europa de diverse bewindslieden over elkaar in hun ijver om maatregelen te bepleiten. Welke dan ook. Geen minister van justitie die deze zomer niet afreisde naar Stockholm en een door 'Dutroux' sterk opgewaardeerd congres over beëindiging van de seksuele exploitatie van kinderen, of hij liet de achterban thuis weten dat hij/zij met “initiatieven” zou komen, dan wel “leiding zou geven” aan de opinievorming in Europa.

De voorstellen gaan van een Europees pedofielenregister tot een Europa-wijd computerbestand van vermiste personen. Grote woorden. Die door degenen die zich pre-Dutroux al jaren met vermissingen bezighielden, met grote scepsis worden bekeken.

De meeste bestaande pogingen om vermiste personen te registreren en ook daadwerkelijk op te sporen, richten zich in de eerste plaats op kinderen. Die worden, met voorbijgaan aan bijvoorbeeld psychiatrische patiënten en ouden van dagen (objectief even weerloos), als de meest kwetsbare groep gezien. Zoals inspecteur Carlo Schippers van de Nederlandse Centrale Recherche Informatie (CRI) zegt: “Voor vermiste kinderen jonger dan twaalf jaar moet je als politie al je andere werk laten vallen.”

Voor de oude vrouw wier afbeelding onlangs door bemiddeling van de particuliere National Missing Persons Helpline (NMPH) op de Engelse televisie verscheen, kwam redding dan ook alleen omdat de verpleging van de eerste hulp van een groot Londens ziekenhuis haar herkende als aanvankelijk bij hen binnengebracht. Op het moment dat de achterblijvers hun moeder via de NMPH eindelijk wisten op te sporen, had de bejaarde vrouw al weken doorgebracht in een residential home, waar ze maar steeds herhaalde “Ik wil naar huis” en “Jane, ik heet Jane”. Niemand van de hulpverleners was eerder op het idee gekomen uit te zoeken of deze totaal verwarde Jane ook ergens als vermist was opgegeven. Gezien de chaotische registratie van vermiste personen bij de meeste overheden - Nederland incluis - kun je je afvragen: zijn er ook elders net zulke verdwaalde en verwarde mensen, die ongezocht en half gemist in anonimiteit wegkwijnen?

Particulier initiatief

Al in 1979 stelde het comité van ministers in de Raad van Europa voor dat alle lidstaten een register van vermiste personen zouden aanleggen. Die resolutie is na bijna twintig jaar nog vrijwel nergens uitgevoerd. Waar nationale registers zijn opgezet, onder de hoede van de politie, lijken ze veelal onvolledig, inconsequent wat betreft het soort gegevens en bovendien slecht bijgehouden.

In sommige landen, waar dat gebrek aan registratie en doelgerichte opsporingsmethoden tot grote tragedies heeft geleid, hebben particuliere initiatiefnemers het heft in handen genomen. Meestal zijn dat ouders van vermiste - en vermoedelijk vermoorde - kinderen. Belgie had al vóór Dutroux de organisatie 'Marc et Corinne'. Groot-Brittannië heeft de National Missing Persons Helpline te danken aan een gefrustreerde politieman en aan de sociaalvoelendheid van twee vrouwelijke leden van de juweliersfamilie Asprey. Die behandelt nu tachtigduizend telefonische hulpvragen per jaar, met zoveel succes dat de BBC er zelfs een tv-dramaserie ('Beck') op heeft gebaseerd. In Duitsland zegt het Bundeskriminalambt dat zijn register van vermiste personen goed werkt en dat er ook actief aan opsporing wordt gedaan. Het Franse ministerie van binnenlandse zaken zegt bij monde van een woordvoerder “niet te geloven” dat een vermiste uit Lille door de politie van Nice herkend kan worden. In de Verenigde Staten dwongen ouders van vermiste kinderen de federale regering tien jaar geleden een wet af, die elke ouder het recht geeft te eisen dat de gegevens van zijn vermiste kind worden opgenomen in een federaal databestand.

De Belgische premier Dehaene, die voor de begrafenis van Anne en Eefje zijn vakantie niet kon onderbreken, maakt zich nu sterk voor een Belgisch equivalent van het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children. Dat wordt bemand door oud-medewerkers van de FBI en justitie, die een professionele aanpak hebben ontwikkeld voor het opsporen van vermisten: snel - de eerste 24 uur zijn vaak de belangrijkste voor factfinding - en met gebruikmaking van alle mogelijke publiciteit. Van foto's op melkpakken tot beschrijvingen op het Internet. Dehaene liet zich er vorige week rondleiden en toonde zich tegenover The Herald Tribune vol bewondering.

De Ierse Europees parlementariër Mary Banotti is namens de voorzitter van het Europees Parlement bekleed met de titel 'bemiddelaar inzake transnationaal ontvoerde kinderen'. Dat etiket heeft haar in aanraking gebracht met de veel bredere problematiek van vermiste kinderen, al dan niet door een van de ouders ontvoerd. Banotti is door die praktijk, zegt ze, met ontzetting en afschuw vervuld. “Niemand heeft overzicht, niemand heeft een idee van aantallen. Veel landen hebben gedecentraliseerde politie-organisaties, die van elkaar niet weten wat ze doen. Lang vóór Dutroux hebben wij gewaarschuwd voor wat vermiste kinderen mogelijk boven het hoofd hing. Als de VS komen met een cijfer van 367.000 meldingen van vermiste kinderen per jaar, dan durft Interpol ons in Stockholm te vertellen dat het tweehonderd vermiste kinderen geregistreerd heeft. En dat cijfer was al opgewaardeerd, onder druk, want eerst waren het er zestig.”

Nog nooit in haar hele politieke carrière heeft Banotti een onderwerp zo “van kleur zien veranderen”, zegt zij. “Eerst had iedereen er de mond van vol, maar niemand deed iets. Ik had in mijn postbak meer brieven over zielige mishandelde konijntjes, dan ooit over kinderen. Toen kwam Dutroux en toen brak de paniek uit: Jezus, dit is een herhaling van de Wests.”

Het idee van een Europees register van vermiste kinderen, onder te brengen bij Europol, wordt sterk gepropageerd door het Europees parlement. De Europese commissaris Anita Gradin vindt het idee “waardevol”. Banotti zegt geen illusies te hebben dat een dergelijk register meteen tot meer resultaten in de opsporing zal leiden. “Maar het zal ons tenminste inzicht en overzicht geven. Daarop kunnen we dan beleid bouwen. Veel kinderen lopen weg uit gezinnen waar ze misbruikt of mishandeld worden. Hoe wijdverbreid is dat? Mijn werk heeft me geleerd dat het feit dat een kind door één van de ouders wordt ontvoerd, allerminst betekent dat zo'n kind ook veilig is. En maar al te vaak zijn het ouders die een vermist kind hebben vermoord.”

Banotti zegt dat een goed gedocumenteerd inzicht in omvang en aard van vermissingen, automatisch zal leiden tot beleidsvragen over het gezin als sociale kern. Is het gezin nog die veilige haven? Wat is het effect van gebroken gezinnen? In welke omstandigheden kan een kind veilig opgroeien? “Dat wordt een lastige discussie. De term 'gezin als hoeksteen voor de samenleving' is altijd eigendom geweest van rechts. Wij in Ierland hebben aan den lijve ervaren hoe extreem-rechts die term misbruikt: anti-abortus, anti-voorbehoedsmiddelen, anti-echtscheiding. Links - en ik beschouw mezelf als een links-liberaal - heeft daarom instinctief de neiging om de discussie over de waarde van het gezin de rug toe te keren. Dat emotionele schisma tussen links en rechts kunnen we ons, denk ik, niet langer permitteren.”

Gratis zendtijd

De Britse National Missing Persons Helpline (NMPH), ongesubsidiëerd en afhankelijk van giften,is naar aard en omvang één van de meest professionele registreer- en zoekorganisaties van vermiste personen in Europa. De organisatie krijgt gratis zendtijd van de commerciële televisie, gratis reclame op de vrachtwagens van The Body Shop en tal van bijdragen uit het bedrijfsleven. Ze beschikt, dankzij Wang Computers, over het enige computerprogramma in Europa dat afbeeldingen van lang vermisten kan “verouderen”. Jaar na jaar stelt de NMPH zo de beeltenis van de kleine, blonde Ben Needham bij. Hij was twee jaar toen hij op het Griekse eiland Kos, waar zijn ouders werkten, verdween. De Griekse politie kwam fataal laat in actie. Reconstructie van de gebeurtenissen wijst uit dat het mooie jongetje waarschijnlijk is ontvoerd. Vorige week nog ontving de familie opnieuw honderden tips over verdacht-blonde jongetjes met blauwe ogen, nadat de Griekse televisie een “volwassener” afbeelding van Ben had laten zien.

Waar het nieuwe nationale register van de politie enkele honderden vermisten bevat, schat de NMPH het aantal personen dat jaarlijks in het Verenigd Koninkrijk als vermist wordt opgegeven op 230.000 - ruwweg drie maal de inhoud van het Wembley-stadion. Het is zoals de Britse kinderbescherming eerder in zijn jaarverslag opmerkte: “Er zijn betere statistieken voor weggelopen honden dan voor vermiste kinderen”.

Niet Scotland Yard, maar de NMPH is als enige in staat patronen in vermissingen aan te geven. Oktober blijkt de topmaand voor verdwijningen, maart de drukste maand voor terugkeer. Vermissingen van volwassenen worden sterk beïnvloed door economische factoren. Volwassen mannen verdwijnen vaak om zakelijke redenen “als alternatief voor zelfmoord”. Volwassen vrouwen zijn minder wegloperig en worden meestal gemotiveerd door emotionele problemen. De NMPH verwacht per dag tenminste tien personen op te sporen. Van de 230.000 aangiften per jaar wordt zestig à zeventig procent “na enige tijd” opgelost. Het aantal langdurig (langer dan één jaar) vermisten telt ze als tweeduizend. Toen de West-affaire in de publiciteit losbarstte moest de Helpline tien extra vrijwilligers aannemen om de telefoons te bemannen. Vier van Wests slachtoffers werden door bemiddeling van de Helpline geïdentificeerd. Aan de positieve kant: honderd 'achterblijvers' deden een hernieuwde poging hun gemiste relatie op te sporen. In 86 gevallen volgde een hereniging of - wanneer de vermiste geen hereniging wenste - een melding van “veilig en in leven”. Niet dat de NMPH niet vertrouwd is met de mogelijkheid van een fatale afloop. Eén van de initiatiefneemsters kreeg een man aan de telefoon met de mededeling: “Ik heb haar vermoord en ik zal je vertellen waar ze is.”

Burgerlijk gezinnetje

“Ik ken hopen van ons. Hopen vermiste personen.” Dat zegt Cathy, die zich prostitueert bij King's Cross, tegen de schrijver Andrew O'Hagan. Hij debuteerde vorig jaar met het prachtige The Missing (*), deels autobiografie, deels sociale geschiedenis, deels reportage. “Je loopt gewoon weg en je geeft jezelf een andere naam of je verandert je uitspraak, wat dan ook. Je kunt helemaal onderduiken, volledig, helemaal weg. Je hoeft niemand te vertellen wie je bent of waar je vandaan komt. Mensen slikken dat gewoon. Ze denken dat er iets rottigs met je gebeurd is en dat je daarover niets kwijt wilt en dat is dat.” En als O'Hagan aandringt: “Ik ben niet de deur uitgeflikkerd, hoor, als je dat soms denkt. Ik kom niet uit een of ander burgerlijk gezinnetje of zo. Het was klote, hartstikke rottig. Ik kon geen kant op.”

“Als je op het politiebureau komt met de melding dat iemand vermist is, en hij is ouder dan twaalf jaar, dan hangt het in feite af van degeen die je daar toevallig treft, of er ook actie wordt ondernomen. Komt u na 24 uur nog maar eens terug, hij of zij is groot genoeg om zijn eigen beslissingen te nemen, zijn de gebruikelijke reacties,” zegt Rien Goettsch. Hij is de woordvoerder van de Vereniging Achterblijvers na Vermissing, wachtenden op uitsluitsel in een veertigtal vermissingen in Nederland. Goettsch zelf mist al acht jaar zijn broer, toen 25 jaar oud, en op het moment van zijn verdwijning psychisch in de war. De Vereniging wil betere relaties met de politie, dus Goettsch drukt zich diplomatiek uit wanneer hij desgevraagd zegt: “Nee, ik vind niet dat wij toen goed zijn geholpen.”

Het is het gebruikelijke wanhopige scenario dat alle achterblijvers kennen: de relatieve onverschilligheid of hulpeloosheid van de politie, het gebrek aan informatie aan de achterblijvers en dan de eigengemaakte posters, de vergeefse zoektocht langs mogelijke vindplaatsen en de afgesmeekte stukjes in de krant en op de televisie. Als dat allemaal niet helpt, blijft alleen over - voor degenen die dat kunnen betalen - het inschakelen van de particuliere detective, vrijwel altijd te laat en dus vergeefs. En allemaal moeten ze zich ontworstelen aan de vaak opgedrongen hulp van paragnosten, die hun dierbare hebben gezien “bij de zee” of “onder een houten afdak” of “in leven”.

Taboe op klikken

“Wij dachten,” zegt Josephine Vogel van het Landelijk Bureau voor de Raad van Kinderbescherming, “dat kinderen hier in Nederland niet zo vreselijk tussen de wal en het schip terecht zouden kunnen komen, dat ze helemaal uit het zicht verdwijnen. Maar als we er goed over nadenken, blijkt dat een illusie. We hebben geen register van vermiste kinderen en daarom dènken we alleen maar dat er hier niet veel meer geregeld hoeft te worden. Wij kunnen wat dat betreft als kinderbescherming ook de hand in eigen boezem steken. Er is geen opsporingsinstantie voor vermiste kinderen dan de politie.

“Net als de Bureaus vertrouwensartsen inzake kindermishandeling kunnen wij alleen werken met meldingen. En gemeld wordt er maar beperkt. Er rust in Nederland een taboe op het 'klikken' over een anders privésfeer. Dat is een maatschappelijk gegeven. Als alleen al voor kindermishandeling geschat wordt dat slechts één op de vijf zaken wordt gemeld, dan betekent een totaal van twintigduizend meldingen, het laatste cijfer, een geschatte realiteit van honderdduizend gevallen van kindermishandeling per jaar.”

Beleidsmedewerker Ton Veldkamp heeft nog een voorbeeld: “Het aantal zogenaamde zwerfjongeren in Nederland ligt tussen de twintig- en de dertigduizend. We weten niet eens hoeveel het er zijn. De Leidse socioloog prof. Schuyt heeft onlangs berekend dat tweehonderdduizend kinderen in ons land in hele moeilijke omstandigheden opgroeien: als slachtoffer van mishandeling, als verslaafden, als dropouts. Op zo'n cijfer reageert de politiek eigenlijk vrij lauw. Maar ook wij bij de jeugdhulpverlening, inclusief de kinderbescherming, hebben nog nooit een onderzoek gedaan naar de vraag of het eigenlijk helpt, wat wij voor zulke kinderen doen. We geven hier in Nederland hoog op van onze tolerante samenleving. Maar we zijn een samenleving met een gebrek aan betrokkenheid.”

Carlo Schippers, inspecteur van politie bij de divisie Centrale Recherche Informatie (CRI) in Zoetermeer, was na een stage bij het Amerikaanse Nationale Center for Missing and Exploited Children, meer dan kritisch over de gebrekkige manier waarop in Nederland vermiste personen worden geregistreerd en opgespoord. De frustratie daarover werd ook elders binnen de CRI gevoeld. In Nederland berust hier het 'Nationaal register van vermiste personen', maar dat is in feite niet meer dan een verzamelbak van wat de regionale politiekorpsen aandragen. Het bestand, zegt Schippers zo diplomatiek mogelijk, is “vervuild” en “bevat te weinig informatie”.

Eerder dit jaar publiceerde de CRI daarom een 'Handleiding vermiste personen' (*), die de verschillende politiekorpsen onder meer een draaiboek verschaft. Theoretisch zou dat tot eenvormige en consistente registratie en opsporing moeten leiden. Niet dat Schippers daarover al te optimistisch is: zolang de minister niet dwingend voorschrijft dat die procedure ook gevolgd moet worden, zolang zeden- en kinderpolitie in elk korps onder druk staat, gebeurt er niets.

“Roepen in de Tweede Kamer of voor het tv-programma Nova is iets anders dan de knip trekken en per regio een coördinator aanstellen die ervoor zorgt dat er ook iets gebeurt. O, wat vonden we het allemaal verschrikkelijk wat er in België was gebeurd. Nou, er is absoluut geen reden om in Nederland met de armen over elkaar te gaan zitten. Integendeel.”

Over het gedrang van politici, nationaal en Europees, die nieuw gevonden daadkracht willen bewijzen, zegt Schippers: “Alle aandacht is beter dan helemaal geen aandacht. Als Europol het moet gaan doen, best, maar dan moeten Interpol, de CRI en de regionale korpsen wel kunnen meedoen. Als er in België iets met hulp van de Amerikanen opgezet gaat worden, moeten wij in Nederland óók vragen of we kunnen meedoen. Niet uit angst voor pedofielen, maar omdat er kinderen verdwijnen. Ontvoerd door ouders, vermoord of anderszins verdwenen.

“Voor autodiefstallen hebben we een prachtig systeem, dat alle bijzonderheden over de vermissing van een auto nauwkeurig vastlegt en dat één en dezelfde dader op verschillende plaatsen en tijden uit het bestand kan halen. Maar voor het register van vermissingen en verkrachtingen, waar het gaat om het soort mensen dat loert op het milieu van kwetsbare jonge kinderen die uit hun achtergrond zijn weggelopen, hebben we zo'n systeem niet. En als de wetgeving op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ons belet om dergelijke registers aan te leggen, dan moeten we die wetgeving zo veranderen dat we wèl iets kunnen doen. Je moet die koppies laten zien. Zo'n programma als 'Vermist' (van de TROS, red.) dat zou je nationaal moeten aansturen. Als je werkelijk bevlogen bent door wat je kunt doen op dit terrein, dan kan het resultaat fantastisch zijn. En ja, bevlogen, dat ben ik.”

De CRI-handleiding, die ook achtergrondinformatie over recent onderzoek bevat, heeft zijn eerste vruchten al afgeworpen. Zo staat daarin dat in Nederland het aantal meldingen van vermisten niet, zoals eerder aangenomen, 3500 is, maar 16.000. Twee derde loopt weg, één derde is “onopzettelijk vermist” - verdwaald, ontvoerd, etcetera. Van het totale aantal gelden tien à vijftien gevallen per jaar als zeer langdurig vermist. Over de afgelopen twintig jaar schat de CRI honderd gevallen van onopgeloste vermissingen. Over niet te identificeren lijken, de uit alle bestanden verdwenen en misschien nooit gemisten, bestaan geen cijfers. Onlangs moest de politie in Limburg na eindeloze naspeuringen zo nog een ongeïdentificeerde vrouw naamloos ter aarde laten bestellen. Voor haar geldt wat de Britten - als enigen onder de oorlogvoerende partijen - op de honderduizenden graven van niet geïdentificeerde militairen uit de Eerste Wereldoorlog lieten zetten, omdat ze het begrip 'ongeïdentificeerd' te wreed vonden: Known unto God.

“Ik vergeet nooit,” zegt Schippers, “hoe we bij de afdeling moordzaken in Amsterdam net begonnen waren aan onze kerstbijeenkomst. We moesten alles laten vallen omdat ergens op een etage in West een man was aangetroffen, die daar vanaf de zomer van het jaar daarvoor gelegen had. Vijftien maanden. Niemand had hem gemist. Wat er van hem over was vonden we met de gaskachel nog aan. Want zo zijn we in Nederland: niemand die zich iets van hem had aangetrokken, niemand die hem had gezocht. Maar het gas bij iemand afsluiten doen we niet. Daarvoor zijn we te humaan.”

    • Hieke Jippes