Politiek partij moet haar strategie onthullen

In moderne verkiezingscampagnes speelt informatie een sleutelrol, zo hebben de presidentsverkiezingen in de VS andermaal aangetoond. Hans Anker werkt in de 'keuken' van winnaar Clinton en trekt lessen voor de Nederlandse politiek.

De Amerikaanse presidentskandidaten Bill Clinton, Bob Dole en Ross Perot hebben tijdens hun campagnes voortdurend geprobeerd strategische voordelen te behalen door informatie te verzamelen die tot op dat moment voor hun tegenstanders niet beschikbaar was. Zulke nieuwe informatie verschafte hen een window of opportunity waarbinnen strategische campagnebesluiten konden worden genomen, gericht op het versterken van de eigen kansen en het afwenden van electorale bedreigingen. Clinton blijkt daarin het beste geslaagd.

De campagne van 1996 gaf een verdere bevestiging te zien van poll-driven politics, waarbij de resultaten van kiezersonderzoek een centrale rol spelen in de politieke positionering van de kandidaten. Daarin staan vandaag de dag drie typen onderzoek centraal. In de eerste plaats reguliere opiniepeilingen, waarbij kiezers per telefoon uitgebreid worden ondervraagd over hun voorgenomen kiesgedrag, hun politieke voorkeuren, hun twijfels over de kandidaten en tal van andere politieke zaken.

Daarnaast worden veelvuldig focusgroepen belegd, groepsgesprekken waarbij een tiental mensen onder leiding van een professionele gespreksleider gedurende twee uur uitgebreid van gedachten wisselen over de campagne.

Ten slotte wordt veel gebruikgemaakt van zogeheten dial-groepen waarbij rond de vijftig kiezers met behulp van een speciaal metertje doorlopend hun waardering aangeven voor televisie-beelden die aan hen worden vertoond.

Hiernaast is dit keer het gebruik van de zogeheten rapid response teams verder uitgebreid. Dit zijn teams die negatieve uitspraken van de tegenstander direct pareren met tegenargumenten en contra-informatie. Een voorbeeld: tien minuten na het einde van het town-hall-debat in St. Petersburg begonnen bij ons de faxen te ratelen en kwamen de 'correcties' binnen op alle uitspraken van Dole, klaar voor verdere verspreiding. De basisgedachte achter rapid response is het campagne-adagium dat schadelijke informatie direct gecorrigeerd moet worden, omdat het anders een eigen leven gaat leiden, met alle negatieve gevolgen vandien.

De afwezigheid van rapid response (en geld) in het Dole-kamp leidde er in het voorjaar toe, dat Clinton zijn commercials zonder tegenstand kon laten draaien, waarmee hij zich een uistekende uitgangspositie wist te verschaffen in een aantal sleutelstaten voor zijn herverkiezingscampagne. Overigens ligt in deze logica tevens besloten dat kandidaten steeds eerder zullen proberen om uit de startblokken te komen, om zo hun tegenstander te verrassen en een strategisch voordeel te verwerven.

Een belangrijke campagne-innovatie heeft zich in 1996 buiten de politieke partijen om afgespeeld en betreft de herontdekking van de Amerikaanse media. Meer dan ooit hebben de media uitgebreid gerapporteerd over de resultaten van onderzoek dat zij lieten verrichten.

Met name kwaliteitskranten als de The Washington Post en The New York Times openden regelmatig met de resultaten van opiniepeilingen en focusgroepen. De media hebben zich hun oorspronkelijke rol weer toegeëigend en treden nu veel meer op als arbiter in de informatie-oorlog die verkiezingscampagnes vandaag zijn.

Wat betekent dit alles voor politieke partijen en kandidaten in Nederland? Welke lessen kunnen er uit de Amerikaanse campagne worden getrokken? Alvorens deze vragen te bantwoorden is het goed om op te merken dat Nederland druk bezig is met een inhaalslag.

Als de tekenen ons niet bedriegen en als politieke partijen voldoendeopletten, wordt 1998 - wanneer naar verwachting de volgende Kamerverkiezingen zijn - het jaar van de rapid response. De ontwikkelingen gaan snel en binnen enkele jaren zal het in Nederland op eenzelfde wijze kunnen gaan als thans in de VS het geval is.

Wie dit niet wil geloven, moet weten dat de drie kernvormen van onderzoek - peilingen, focusgroepen, en dial-groepen - in 1994 ook al in Nederland zijn toegepast. Maar de aggressiviteit die Amerikaanse verkiezingen kenmerken zal achterweg blijven. Het huidige Nederlandse kiesstelsel staat immers niet toe dat tegenstellingen al te zeer op de spits gedreven worden, tenzij partijen bereid zijn om daarvoor een forse prijs te betalen tijdens de kabinetsformatie.

Wat zijn de gevolgen van deze campagne-ontwikkelingen voor Nederland? Ten eerste zal de financiële druk op partijen verder toenemen. Een professioneel onderzoeksprogramma kost al gauw enkele tonnen per jaar. Een dergelijk bedrag kan nog wel opgehoest worden door politieke partijen, zelfs met teruglopende ledenaantallen. Maar de kosten van reclame-boodschappen zijn zó hoog, dat ze belemmerend werken.

Dit kan er toe leiden dat ook in Nederland geld een ongewenst grote rol gaat spelen, zeker als het publieke omroepbestel verder in elkaar klapt en partijen meer en meer op commercials zijn aangewezen. Verschillen in de financiele positie van politieke partijen kunnen dan vergaande gevolgen hebben voor de uitkomsten van verkiezingen. De eerste tekenen van dit probleem zijn al zichtbaar bij verkiezingen voor gemeenteraden.

Ten tweede dreigen burgers een informatie-achterstand op te lopen voor wat betreft politieke marketing-activiteiten. Hier ligt mijn grootste punt van zorg. Politieke partijen zullen een veel grotere openheid moeten betrachten dan thans het geval is.

Op dit vlak lopen de mores tussen partijen lopen sterk uiteen. Op dit moment zijn partijen niet gedwongen publiekelijk verantwoording af te leggen voor hun marketing-activiteiten - en sommige partijen doen dat ook niet. Dat is niet alleen onverstandig van die partijen, het is ook fout en gevaarlijk. Het wakkert gevoelens aan van manipulatie en kan leiden tot een serieus gebrek aan steun van burgers voor de wijze waarop het land wordt bestuurd en de spelregels die daarbij worden gehanteerd. Dat kan gemakkelijk leiden tot een echte kloof tussen kiezer en gekozene.

Politieke partijen zullen ook verantwoording moeten afleggen over het onderzoek dat zij laten verrichten. Daarbij gaat het vanzelfsprekend niet om de inhoudelijke resultaten - die mogen gerust geheim blijven -, maar wel om de gevolgde procedures, methodieken en de omvang van het onderzoek. Dit vergt een gedragscode, of, als dat te moeilijk mocht blijken, een nieuwe wet.

Ongeacht de uiteindelijk te kiezen vorm - zelf-regulering of wetgeving - zou een gewone burger moeten kunnen nagaan hoeveel peilingen een partij heeft laten verrichten, hoeveel focusgroepen een partij heeft laten doen, en hoeveel dial-groepen er zijn verricht. Niets bijzonders dus, maar wel uiterst belangrijk voor het behoud van steun voor het politieke bestel.

Ten derde is er de roep om accountability, een punt dat de Nederlandse politieke agenda in zeker opzicht al heeft bereikt. In weerwil van de populaire meningsvorming, is de band tussen kiezers en gekozenen in de VS zeer hecht. En belangrijker, kiezers durven hun afgevaardigden ook daadwerkelijk op hun verantwoordelijkheden aan te spreken.

Met de toegenomen mondigheid van de Nederlandse burger ligt het voor de hand dat ook in Nederland vroeg of laat de roep om accountability sterker zal worden. Het is beter om daarvoor nu al de noodzakelijke voorbereidingen te treffen, opdat burgers straks ook daadwerkelijk de kans te hebben om hun afgevaardigden aan te spreken op hun verantwoordelijkheden. De kans op frictie tussen kiezers en gekozenen kan zo aanzienlijk worden verkleind.

Denkbaar is dat de 19 huidige kieskringen in Nederland een zwaarder gewicht krijgen, vooropgesteld dat deze redelijk samenvallen met ruimtelijke, sociale en culturele patronen, daarmee voldoende identificatie-mogelijkheden biedend voor kiezers. Elk van deze 19 kieskringen zou dan een stuk of zeven leden naar de Tweede Kamer kunnen afvaardigen.

Los van dit wat vergaande plan zou natuurlijk ook doorgewerkt kunnen worden aan de radicale versterking van het effect van voorkeurstemmen. Want wat is er mis met een situatie waarin twintig kandidaten met voorkeurstemmen in de Kamer worden gekozen? Het dwingt kandidaten om het gesprek aan te gaan met kiezers, niet alleen met de vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld of de selectiecommissie van hun eigen partij.

Al deze vraagstukken hebben tot op zekere hoogte de politieke agenda wel bereikt, maar zijn gestrand in de bekende Haagse stroperigheid. Gelukkig betreft het hier een problematiek die zich bij uitstek leent voor een initiatief-wet vanuit de Kamer. Wat nodig is zijn mensen die pro-actief te werk gaan en niet achter de feiten aanlopen. Echte denkers dus. Misschien dat de Tweede Kamer er een paar bevat?

    • Dat de Clinton-Campagne Begeleidde
    • Dr. H. Anker