Philips treft schikking in affaire Super Club

ROTTERDAM, 9 NOV. Philips heeft met de oprichter van de videoketen Super Club, de Belg Maurits de Prins, een schikking getroffen in een jarenlang slepend juridisch conflict.

Over het bedrag dat met de regeling is gemoeid, wil Philips niets kwijt. Een woordvoerder van het bedrijf verklaarde gisteren tegenover het persbureau ANP dat het in de affaire geen schuld heeft bekend. In België doen berichten de ronde dat het zou gaan om een schikking voor een bedrag van ettelijke tientallen miljoenen guldens, maar volgens de woordvoerder van Philips is dit fors overdreven.

De Prins beschuldigde Philips van bedrog, samenzwering en misbruik van vertrouwen. De Prins en Philips hebben over en weer via de Amerikaanse rechter claims op tafel gelegd van miljarden dollars. De Prins koos voor de Amerikaanse aanpak omdat in de VS hogere claims mogelijk zijn dan in Europa.

Philips heeft in 1988 een belang genomen in Super Club. In de voor Super Club winstgevende jaren 1988 en 1989 breidde het Eindhovense concern dit belang langzaam uit tot boven de 10 procent. Vanaf begin jaren negentig zijn in de pers alarmerende berichten verschenen over de financiële positie van deze videoketen.

De Prins beschuldigt Philips ervan deze (veronderstelde) problemen misbruik te hebben gemaakt om de macht in Super Club over te nemen. Ook een aantal kleine aandeelhouders waaronder partcipatiemaatschappij Euroventures zouden daarbij zijn gedupeerd.

Super Club werd uiteindelijk geliquideerd en opnieuw opgestart. De Amerikaanse tak van het bedrijf werd in 1993 voor ongeveer 150 miljoen gulden verkocht aan het Amerikaanse Blockbuster, het grootste video-verhuurbedrijf ter wereld. Het Europese deel, met vestigingen in Nederland, België en Frankrijk, is geheel eigendom van Philips gebleven.

In december vorig jaar sloot De Prins in een vraaggesprek met de Belgische zakenkrant de Financieel Economische Tijd een schikking met Philips niet uit, mits er voor hem eerherstel en voor de kleine aandeelhouders een financiële tegemoetkoming zou komen. Toen was er al een datum vastgesteld voor een proces, op 1 maart 1997.

Voor Philips gold de overweging dat het het beste was een einde te maken aan procedures die zeer lang zouden kunnen duren en kostbaar konden zijn. Volgens een woordvoerder in Eindhoven zijn de dossiers wat Philips betreft nu gesloten.