Openbaar ministerie niet onderwerpen aan Justitie

De minister van Justitie moet het handelen van de individuele officier kunnen bepalen, tot en met het requisitoir en de eis. Dat is de boodschap die P.B. Cliteur de lezers voorhoudt in de krant van 5 november.

Cliteur verpakt zijn boodschap in allerhande zeer democratisch aandoende argumenten, die bij nadere beschouwing niet kloppen, noch historisch, noch juridisch, noch politiek. In dit debat heeft hij een nieuw middel gevonden om de tegenstanders van centralisatie de mond te snoeren.

Cliteur tracht de leden van het OM monddood te maken met zijn stelling over de wijze waarop de discussie over dit onderwerp moet worden gevoerd. “In een democratie is dat primair een discussie tussen de minister en de volksvertegenwoordiging.”

Het lijkt mij allereerst dat een dergelijk monopolie op het politiek-juridische debat historisch onhoudbaar is. Sinds de Verlichting zijn de belangrijke debatten juist buiten de koning en de regering om gevoerd.

Voorts is een beperking van het debat tot de voorstanders van centralisatie - de minister en de parlementariërs (en Cliteur) - weinig democratisch.

Tenslotte lijkt mij zo'n monopolie niet gunstig voor de betrokkenheid van de bevolking bij de politiek. Wie de kloof tussen de kiezers en gekozenen, de desinteresse in de politiek en de dreiging van simplistisch-populistische bewegingen serieus neemt, moet het publieke debat niet veroordelen maar toejuichen, zelfs uitlokken.

Cliteur roept de parlementariërs op een regeling te maken “die in het belang is van de democratische rechtsstaat”. Waar gaat het eigenlijk om? De centrale vraag is of het OM al dan niet geheel ondergeschikt aan de minister zou moeten zijn. Er zijn drie soorten argumenten: historische, juridische en politieke, die elk enige aandacht behoeven.

De historische argumenten voor de intoming van het centralisme dateren van de vorige eeuw, toen de onafhankelijkheid van het OM voortkwam uit een streven de macht van de koning te beperken. Echter, historische argumenten zijn slechts sterk indien de vergelijking van de maatschappelijke omstandigheden van destijds en van tegenwoordig een goede grond voor een analoge redenering bieden. Dat is slechts ten dele het geval.

In de negentiende eeuw had de regionale adel nog steeds de traditionele macht in de regionale gerechtshoven, terwijl de liberalen via de Hoge Raad en het OM naar een inperking van de oude feodale structuren streefden. Een te centralistisch gestuurd OM zou echter de macht van de koning te groot maken, zodat uiteindelijk de relatief onafhankelijke positie van het OM uit de bus kwam. De meeste van die omstandigheden spelen thans geen rol meer.

Juridische argumenten ten gunste van een gematigde onafhankelijkheid zijn er, hoewel het bestaande recht nooit een ijzersterk argument kan zijn. Immers, de samenleving bepaalt via het parlement welke juridische vormgeving zal gelden. Al te snelle veranderingen doen het gezag van het recht echter geen goed, omdat de tijdelijkheid ook de relativering benadrukt.

Bovendien gaat het bij de verhouding tussen de minister en het OM om een zeer precaire relatie, waarmee niet onbezonnen moet worden omgesprongen. Het juridische bestel lijkt echter wel solide genoeg om bij iedere generatiewisseling enkele voor de rechtsstaat ingrijpende veranderingen te kunnen dragen.

Van groter belang is het politieke debat. Cliteur leest erg veel kranten, zo blijkt uit zijn bijdrage, maar zou eens andere onderwerpen moeten selecteren. Honderdduizenden protesteren tijdens de Witte Mars in Brussel. Waartegen? Tegen de vervlechting van de politiek en de vervolgende magistratuur, lees voor Nederland: het OM.

De door Cliteur voorgestane onderschikking van het OM aan de politiek is in grote lijnen waar de Belgische bevolking op grond van funeste gevolgen vanaf wil. Inzet van dat debat is, zo bezien, hetzelfde als in Nederland: de onafhankelijkheid van het OM.

Zeker, in België speelt tegelijkertijd dat de vervolgende magistratuur zelfstandig de doofpot kan vullen. Op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering kennen we in Nederland gelukkig een procedure om het OM te bevelen tot vervolging over te gaan.

Een tweede voorbeeld dat Cliteur zelf uit de kranten had kunnen halen, is de IRT-affaire. In NRC Handelsblad van 5 november geven Haenen en Meeus een overzicht van de diverse onderzoeken naar het falen van het OM. Ondanks de kritiek van de commissie Wieringa (1994), de commissie Van Traa (1995) en de rijksrecherche (1996) leidden verschillende onderzoeken binnen Justitie tot een overwegend positief oordeel. Dat geeft te denken over de mate van onafhankelijheid van deze onderzoekers en roept de aloude vraag op: Wie bewaakt de bewakers.

Ernstiger is wat over de procureur-generaal bij de Hoge Raad Ten Kate wordt geschreven, die het optreden van de PG's bij de crisis onderzocht: “Het functioneren van Sorgdrager zelf - zij was tot herfst 1994 PG in Den Haag, waar diverse doorlatingen van soft- en harddrugs plaats hadden - bleek niet onderzocht omdat de minister dit 'moeilijk' zou vinden, aldus Ten Kate”. Let op, parlementariërs (en Cliteur), dit is een voorbeeld van de principiële reden waarom centralisatie nooit in volle omvang mag worden doorgevoerd.

Cliteur die naast kranten ook de vakbladen wel zal lezen, had daarin de vraag kunnen (en moeten) lezen of de centralisatie zo ver zou moeten gaan dat de minister individuele leden van het OM zou kunnen bevelen om een bepaalde persoon niet te vervolgen. Als dàt onwenselijk is (en dat lijkt mij het geval), dan moet de gehele centralisatie met veel scepsis en terughoudendheid worden bezien.

Als de minister de beslissing over zo'n individueel sepot niet toekomt, kan het debat niet meer langs de grove, globale en absolutistische lijnen van de totale onderschikking worden gevoerd. Dan moet er zorgvuldig worden gezocht naar de grenzen van onafhankelijkheid en onderschikking.

    • Verbonden aan de Universiteit van Amsterdam
    • N.F. van Maenen