Onstudeerbaarheid

De vorige week heeft de Tweede Kamer mij weer eens diep beledigd. Naar ik mag hopen niet alleen mij, maar iedere docent in het hoger onderwijs met hart voor zijn werk. Blijkbaar zijn we met z'n allen zulke prutsers dat we na jaren nog niet in staat zijn studenten een onderwijsprogramma aan te bieden in het eerste jaar dat ze binnen de daarvoor gestelde termijn kunnen afronden.

Ons onderwijs is immers zo belabberd georganiseerd dat het al een zeer lovenswaardige prestatie is als een student de helft van het programma met succes volgt. De minister vond dat een student toch eigenlijk wel ten minste tweederde van het programma zou moeten kunnen afronden, maar de Tweede Kamer vond die eis veel te streng. Eerst moest het onderwijs maar eens flink verbeterd worden!

Nu zou je kunnen verwachten dat de VSNU, de verzamelde colleges van bestuur en de verzamelde colleges van decanen gezamenlijk protest zouden aantekenen nu het universitaire onderwijs op deze wijze aan de schandpaal wordt genageld. Die kijken echter wel uit. Want als zij beweren dat het universitaire onderwijs wel goed of ten minste voldoende is geregeld, vervalt natuurlijk de reden voor de minister om honderden miljoenen guldens onder hen te verdelen ten behoeve van onderwijsverbetering. Nu zal ik de laatste zijn om te beweren dat er niets verbeterd kan worden aan het universitaire onderwijs. Natuurlijk kan dat. Geef ons geen vijfhonderd miljoen maar het dubbele, en we verbeteren ons onderwijs nòg meer. Maar ik betwijfel of al die verbeteringen zullen leiden tot een snellere studievoortgang en een hoger rendement.

Het lage studierendement in de propedeuse bij vele studierichtingen hangt namelijk niet alleen af van de kwaliteit van de inhoud en organisatie van het onderwijsprogramma. Als er één onderdeel is van het universitaire onderwijsprogramma dat wèl behoorlijk geregeld is, dan is dat de propedeuse.

Het programma is duidelijk omschreven, de duur is beperkt, keuze-elementen zijn klein of ontbreken geheel, en de data van de toetsen staan vast. Het propedeuseprogramma kent geen stages en geen scripties, hoogstens kleine schriftelijke werkstukken. Alles staat helder en overzichtelijk in de studiegids, dus het is verder een kwestie van studeren.

En helaas, daar wringt de schoen: studeren moeten de studenten zelf. Dat betekent tijd en discipline en daar ontbreekt het nogal eens aan. Uit een van de laatste nummers van Elsevier hebben we nog eens kunnen lezen dat de gemiddelde student in vele studierichtingen tussen de twintig en vijfentwintig uur per week aan zijn studie besteedt. Velen zijn er ook heilig van overtuigd dat het volstrekt onmogelijk is om nog meer tijd aan de studie te besteden, omdat door een overmatige input van gegevens de harde schijf in hun brein gemakkelijk overbelast zou kunnen raken en zou kunnen crashen. Misschien moeten wij dus wel al die studenten die door regelmatig en hard werken toch binnen een jaar de propedeuse dreigen te halen, tegen zichzelf beschermen door hen te verbieden het hele programma zo gevaarlijk snel af te ronden.

Een van de oplossingen die worden aangedragen om te komen tot een hoger studierendement is meer studieadvisering. Wij docenten vragen ons dan ook soms vertwijfeld af hoe wij zelf in die barre tijden van voor de studieadvisering ooit onze studie hebben kunnen voltooien. Maar praten over de studie met een geduldige docent die zonodig bereid is de studiegids voor te lezen is natuurlijk niet hetzelfde als zelf studeren. Is er ooit wel eens onderzoek gedaan naar het nuttig effect van al die intakegesprekken, mentoraatsgroepen, spreekuren, inloopuren en al dan niet bindende studieadviezen? Het enige onderzoek dat ik ken dateert al weer van jaren her en kwam tot de conclusie dat het voornaamste effect van studieadvisering bestond uit het uitstellen van het moment waarop zwakke studenten besloten de studie voortijdig te staken. Dat was nu juist het effect dat we niet wilden bereiken, want we wilden dat studenten de studie zouden voltooien of, bij gebleken ongeschiktheid of gebrek aan belangstelling, de studie zo spoedig mogelijk zouden staken om wat anders, misschien wel nuttigers te gaan doen.

Het grootste probleem van ons universitair onderwijs is - voorzover ik dat, als kikker op de bodem van de put die praat over de hemel, zou kunnen beoordelen - niet gelegen in de belabberde kwaliteit van inhoud en organisatie. Op dat punt zijn we zeker niet slechter dan elders en vaak beter. Goed, we hebben geen tutorials, maar verder is het Nederlandse universitaire bestel zo ongeveer het meest studentvriendelijke systeem dat ik ken.

We weten inmiddels heus wel dat we vrijwel niets bekend mogen veronderstellen. Wat voor een moeite we ons niet getroosten om de tentamens ruim te spreiden! En wat voor een mogelijkheden we niet aanbieden voor herkansingen! Er zijn ook plaatsen - in dat bekende buitenland waar alles beter geregeld is - waar alle tentamens aan het einde van het semester binnen dezelfde week moeten worden afgelegd - niks herkansing - en waar studenten - o gruwel - zelfs hun schriftelijke werkstuk echt op het voorgeschreven tijdstip moeten inleveren. Het grootste probleem met ons universitaire onderwijs is het alom beleden geloof in het dogma van de onstudeerbaarheid. In alle onderwijstypen in Nederland spreekt het vanzelf dat het programma voor elk jaar zo is opgezet dat het door iedere gekwalificeerde en hardwerkende leerling binnen dat jaar kan worden afgerond. Wie dat niet kan, moet maar eens bij zichzelf te rade gaan. Sommige MBO-opleidingen vertellen hun leerlingen ijskoud dat wie het eerste jaar niet haalt, van school zal worden verwijderd. Maar voor de universiteiten gaat dat opeens niet op. Minister en Tweede Kamer stellen vast dat het programma onstudeerbaar is en dat het al mooi is als de student in staat is ten minste de helft van het programma te voltooien. Waarom zou een student dan harder moeten werken? De onstudeerbaarheid is zo sinds jaar en dag een self-fulfilling prophecy.

Laten we toch eerlijk zijn tegenover elkaar. De overgrote meerderheid van de universitaire propedeuseprogramma's is, ondanks alle kleinere en grotere probleempjes die er natuurlijk zijn, best studeerbaar. Dat wordt ieder jaar opnieuw bewezen door die studenten die de propedeuse wel binnen een jaar voltooien. Dat is ook de groep die in het algemeen weinig problemen ontmoet in de studie na de propedeuse omdat ze zich de juist studiehouding hebben eigen gemaakt.Het zou natuurlijk ook veel beter zijn dat geld voor extra leningen en beurzen ten goede te laten komen aan deze groep van studenten, bijvoorbeeld om een vijfde jaar mogelijk te laten blijven. Zaken als stages en scripties zijn nu eenmaal niet altijd precies binnen de toegemeten tijd te plannen.

Een groot deel van de studenten die nu hun propedeuse niet halen binnen de voorgeschreven tijd zou profiteren van meer duidelijkheid. Wanneer hun door iedereen duidelijk gemaakt zou worden dat het propedeuseprogramma best binnen een jaar kan worden voltooid, dan zijn ze daar best toe in staat en zullen ze ook de rest van de studie met meer plezier voltooien.

Natuurlijk zullen er ook studenten blijven voor wie de universitaire studie van hun keuze te hoog gegrepen blijkt. Maar als ze echt twee jaar nodig hebben voor de propedeuse, dan moet gevreesd worden dat ze ook zes jaren nodig zullen hebben voor de tweede fase. Binnen het hooggeprezen Nederlandse systeem van vrije studiekeuze voor de abituriënten van het VWO, zal er altijd een hoog percentage zijn van studenten die een verkeerde studiekeuze maken. Dat geldt vooral voor die studies, zoals Letteren, die nu eenmaal geen uitgesproken beroepsopleiding zijn.

Ik ga er nu maar even niet van uit dat de geachte leden van de Tweede Kamer diep in hun hart vinden dat het studentenleven belangrijker is dan de studie zelf en dat we de studie vooral zo moeten inrichten dat de studenten van het studentenleven een dagtaak kunnen maken, binnen of buiten een vereniging. Wanneer ze deze toch al zo bevoorrechte jongelui graag een vrolijk jaar op gemene kosten willen bezorgen, moeten ze dat vooral doen. Maar dan is wel de vraag waarom niet alle jongeren, ongeacht het niveau van hun opleiding, op hun achttiende of later zo'n jaar krijgen toebedacht om te freewheelen. Mocht deze gedachte wel achter het besluit van de Tweede Kamer schuilgaan, dan kan de FNV misschien eens voorstellen dat werkende jongeren het recht krijgen het eerste jaar van hun aanstelling maar de helft van het werk te hoeven doen dat hun wordt opgedragen door hun baas. Persoonlijk lijkt me de overgang van schoolbank naar bedrijf heel wat ingrijpender dan de overgang van middelbaar naar hoger onderwijs.

    • Wilt Idema