Monetaire unie goudmijn voor speculanten

Speculeren op de Economische en Monetaire Unie. Professionele beleggers doen het al tijdenlang op de obligatiemarkt, en deden er de laatste anderhalf jaar goede zaken mee. De theorie achter de meeste EMU-speculaties is die van rente-convergentie: als de EMU in 1999 van start gaat, krijgen de deelnemende landen een gemeenschappelijke munt, en die munt kent in feite maar één rentevoet.

Daarom is het onvermijdelijk dat de rentevoeten in de landen van de Europese Unie waarvan wordt verwacht dat zij aan de EMU meedoen, naar elkaar toekruipen.

Omdat bij obligaties de koers stijgt als de rente daalt, is het profijtelijk om obligaties te kopen van landen die nu nog een hoge rente hebben, maar straks wel in de EMU opgaan. Een 'convergence-play' noemen de profs dat. En het heeft ze de afgelopen tijd geen windeieren gelegd. Wie begin dit jaar een gemiddeld pakket Italiaanse obligaties kocht, heeft nu al een totaalrendement (rente plus koersstijging plus koersstijging van de lire) van 23,2 procent. Langlopende Italiaanse obligaties met een looptijd van meer dan tien jaar leverden 49,15 procent op in tien maanden.

De meeste internationaal spreidende obligatiefondsen spelen met een deel van hun portefeuille het convergence play al lang: vooral door hun vraag naar obligaties in landen als Spanje en Italië zijn de obligatiekoersen daar zo sterk gestegen en is de rente navenant gedaald. Verzekeraar Nationale-Nederlanden kwam onlangs met een beleggingsfonds dat de convergentie-strategie expliciet volgt. De portefeuille bestaat voor een derde uit Spaanse en Italiaanse obligaties.

Vooralsnog is het NN Eurofonds, dat een startkapitaal mee kreeg van 100 miljoen gulden, alleen verkrijgbaar als onderdeel van een levensverzekering (unit linked), maar de aanvraag ligt al bij toezichthouder De Nederlandsche Bank om er een algemeen beleggingsfonds van te maken. Volgens beheerder A. Picokrie van ING Investment Management zou het fonds, teruggerekend over de laatste twintig jaar, een rendement van gemiddeld 8,6 procent gehaald hebben. Dat is iets meer dan Nederlandse obligaties hadden opgebracht, en fractioneel minder dan een internationaal gespreide portefeuille zou hebben gedaan. “Maar de situatie is nu onvergelijkbaar met het verleden waarover dat rendement is berekend. In Europa wordt nu toegewerkt naar de Monetaire Unie, en convergentie maakt daar integraal deel van uit.”

Tegenover het rendement staat het risico dat het EMU-proces om welke reden dan ook misloopt, en de rentevoeten uiteenstuiven. Gedenkwaardig zijn in dit verband de geldmarktfondsen van de bank Pierson Heldring & Pierson (nu MeesPierson). Die speculeerden begin jaren negentig ook op financiële convergentie in Europa, door in Europese valuta's te beleggen met een hoge rente in de verwachting dat het Europese Monetaire Stelsel de deelnemende munten toch wel bij elkaar zou houden. Toen tijdens de valutacrisis in het najaar van 1992 de lire, het pond en ook Scandinavische munten dramatisch in koers vielen, leden de Pierson-fondsen grote verliezen. De bank moest beleggers met miljoenen guldens compenseren.

De vergelijking tussen het nieuwe fonds en de Pierson-fondsen is intern bij ING Investment Management besproken, zegt Picokrie, “maar er zijn grote verschillen. De situatie in Europa is nu volledig anders. De economiën liggen veel dichter bij elkaar, de convergentie in rentes wordt ondergesteund door een financiële en economische convergentie in de lidstaten zelf. Er is een grote vastberadenheid in Europa om de EMU te doen slagen, en het fonds heeft statutair de mogelijkheid om zich terug te trekken in obligaties van de veilige monetaire kernlanden van de Europese Unie, zoals Duitsland en Nederland.”

Wat gebeurt er als de EMU er eenmaal is en het convergentieproces heeft plaatsgevonden? “Dan kan het een gewoon obligatiefonds worden, maar er zijn ook landen als Griekanland of in Oost-Europa die daarna nog tot de EMU kunnen toetreden. Daar kan het fonds de strategie ook op toepassen.” Analisten verwachten dat er ook in de EMU renteverschillen blijven bestaan, als gevolg van een verschillende kredietwaardigheid van leners. “Ook dat schept mogelijkheden voor de vermogensbeheerder.”

    • Maarten Schinkel