Met droge ogen

Het wereldwijde monsterverbond dat tot nog toe de Afrikaanse staatsindeling in stand heeft weten te houden, dreigt in te storten. Wat Afrikaanse staatshoofden elkaar ook hebben aangedaan, vrijwel steeds hebben ze elkanders landsgrenzen gerespecteerd. Dat was de voornaamste, misschien wel de enige regel in de machtsstrijd op dat continent, het enige artikel uit het charter van de Organisatie van Afrikaanse Staten van 1963 dat metterdaad is nageleefd.

En wat de grote mogendheden in die dertig jaar ook hebben uitgespookt in Afrika, uiteindelijk hebben ze die verkaveling van het continent toch niet willen herzien. Dat is te begrijpen, want er dient zich geen enkele andere indeling aan als alternatief voor de status quo die teruggaat op de verdeling van invloedssferen tussen de Europese mogendheden op het congres van Berlijn in 1884. Tot nog toe gold dat zelfs de ergste misorde beter is dan de volstrekte wanorde.

Dat die staatsinrichting nu wordt ondermijnd, ligt aan de samenloop van twee omstandigheden. Zaïre verkeert in verregaande staat van ontbinding en heeft alle greep op de grensprovincies in het oosten verloren. Aan de andere kant van die grens heeft zich in Rwanda een ondernemend bewind gevestigd, dat vastbesloten lijkt in het belendend niemandsland een eigen orde te scheppen. Sterker nog, het zag zich gedwongen om in te grijpen, want van over de grens vielen Hutu-infiltranten uit de kampen met regelmaat doelen in Rwanda aan en ondertussen werden bevriende volksgroepen in Oost-Zaïre door de autoriteiten daar met uitzetting bedreigd. Die Banyamulenge grepen naar de wapens, en met wat hulp uit Rwanda veroverden ze in de kortste keren een groot deel van de oostelijke provincies. Hun commandant wil nu doorstoten naar Kinshasa, de hoofdstad van Zaïre, tweeduizend oerwoudkilometers verderop.

In die wildernis van Oost-Zaïre zwerven nu honderdduizenden mensen in volkomen ontreddering. Ze zijn onvindbaar voor westerse verslaggevers en onbereikbaar voor hulpverleners. Het is onduidelijk waar ze heen trekken en eigenlijk ook voor wie ze op de vlucht zijn. Ze verwijderen zich steeds verder van de kampementen waar hulpverlening nog mogelijk zou zijn en verdwalen steeds dieper in regenwouden waar nauwelijks voedsel of onderkomen te vinden is. Hun grootste vijand, de regering van Rwanda, wil niet anders dan dat ze daarheen, naar hun land van herkomst, terugkeren; daar zijn alle andere regeringen het mee eens. Hun eigen beschermheren, de milities van de Hutu-partij, verhinderen hun terugkeer en drijven hen steeds dieper de bossen in. Die milities hebben uiteraard bij terugkeer iets te vrezen: bestraffing wegens volkerenmoord. Hun aanwezigheid in de kampen maakte de vluchtelingen daar ook tot doelwit van de Banyamulenge rebellen en hun Rwandese helpers.

In deze volstrekte verwarring en verbijstering moeten nu de westerse mogendheden interveniëren. Humanitaire bijstand is op dit moment nagenoeg onmogelijk, want de vluchtelingen zijn op de vlucht en rond de kampen smeulen nog de gevechten tussen de Hutu-milities, de Zaïrese soldaten, de opstandelingen en waarschijnlijk eenheden uit Rwanda. Maar de buitenlandse bemoeienis wordt ook ingegeven door politieke overwegingen: de vrees dat Rwanda het oostelijk deel van Zaïre zal bezetten. Nog afgezien van alle chaos en misère zou daarmee het indelingsprincipe voor het Afrikaanse continent weerlegd zijn. Dat is een inbreuk op het grondbeginsel van de continentale machtsstrijd. En bovendien hebben Frankrijk, België en de VS zakelijke belangen in die regio. Al bestaat Zaïre nauwelijks nog als staatsverband, er ligt een heel dun, langgerekt en taai netwerk over het grondgebied van satellietverbindingen, schaarse luchtlijnen en weinige wegen, dat de mijnen en plantages verbindt met de hoofdstad en de haven. Dat netwerk stelt buitenlandse ondernemingen in staat hun boodschappen, goederen en mensen over te brengen, ongeacht wat er in de rest van het land gebeurt. Ook dat moet beschermd worden door buitenlandse interventie.

Frankrijk is opnieuw de drijvende kracht achter een humanitaire interventie door buitenlandse mogendheden. De vorige keer dat het in de regio een reddingspoging ondernam, was het om de op de vlucht geslagen Hutu-milities een vrijstaat in het zuidwesten van Rwanda te verschaffen. Dat lukte niet en de kampen moesten over de grens, in Zaïre, worden ingericht. Ook toen slaagde de Franse regering er alleen in om zichzelf te overtuigen van haar zuiver humanitaire motieven. Dit keer wil Frankrijk niet alleen opereren en zoekt het de samenwerking met andere landen. De hulpverleners moeten uiteraard met militaire macht beschermd worden tegen lokale gewapende bendes. Maar als die buitenlandse troepen eenmaal ter plaatse zijn zullen ze ook dienen om westerse belangen te verdedigen en om een schending van de Afrikaanse indeling te voorkomen.

Daar is veel voor te zeggen, en ook veel tegen. Waar het om gaat is dat de buitenlandse hulpverlening, in elk geval in Afrika, sinds jaar en dag een onafscheidelijk onderdeel is van politieke machtsuitoefening en militair ingrijpen. Ook nu wordt een interventie voorbereid waarbij rampenhulp de dekmantel en het bijproduct is, en machtsbehoud de voornaamste reden. Dat is niet op zichzelf verwerpelijk. Maar het vergt een ander soort gesprek dan het zuchtend en betraand vertoog van medemenselijkheid en hulpbereidheid dat nu in publiek wordt afgestoken.

Daarbij rijzen andere vragen: zijn de vluchtelingen in Oost-Zaïre wel te helpen, of moeten ze daartoe eerst terugkeren naar Rwanda? Wat zijn de gevolgen van hulpverlening nu voor het vluchtelingenprobleem op lange termijn? Wat betekent de aanwezigheid van een buitenlandse troepenmacht in Oost-Zaïre voor de machtsverhoudingen in dat gebied, voor de bescherming van westerse belangen in Zaïre, Rwanda en Burundi, voor de ordehandhaving in de regio, voor de instandhouding van het Zaïrese staatsverband?

Ook dat zijn humanitaire overwegingen.

    • A. de Swaan