Lire rammelt weer aan poort van het EMS

De marktkoers van de lire-mark tegenover de koers op basis van koopkrachtpariteit (ppp). De ppp-koers, waarin de wisselkoers wordt gecorrigeerd voor inflatieverschillen tussen Italië en Duitsland, is berekend vanaf ultimo 1979, het startjaar van het EMS, en gebaseerd op inflatiecijfers van de OESO.

AMSTERDAM, 9 NOV. Volgend weekeinde kan het al zo ver zijn, op zijn hoogst eind deze maand. En heel misschien al vandaag. De Italiaanse lire komt, na een afwezigheid van ruim vier jaar, weer terug in het wisselkoerssysteem van het Europese Monetaire Stelsel (EMS). Italië zal wel moeten: een van de toetredingscriteria voor de Economische en Monetaire Unie, die in 1999 begint, is wisselkoersstabiliteit voor een periode van twee jaar. Hoewel sommige lidstaten van de Europese Unie, zoals Groot-Brittannië bestrijden dat 'wisselkoersstabiliteit' synoniem is met lidmaatschap van het EMS, vindt een grote meerderheid van wel. Finland, dat wil behoren tot de startgroep van de EMU in 1999, heeft de markka vorige maand in het EMS gebracht zodat het kan bogen op minstens twee jaar lidmaatschap.

In het EMS, dat in 1979 van start ging, zijn de munten van de lidstaten van de Europese Unie aan elkaar verbonden. Zij hebben elk een centrale koers (spilkoers) ten opzichte van elkaar, waarvan zij een percentage (vroeger 2,25 procent, nu 15 procent) naar boven en beneden mogen afwijken. Komt de koers van een munt buiten deze 'bandbreedte', dan moet de centrale bank hun rentetarieven bijstellen om de munt weer in het gareel te krijgen. Is dat niet voldoende, dan zijn het land, en de landen waartegen de munt te veel afwijkt, verplicht met aan- of verkopen op de valutamarkt de munt weer in de 'band' te dringen. Als ook dat niet helpt kan, in onderling overleg, een de- of revaluatie van de munt worden doorgevoerd, waarbij de munt een nieuwe spilkoers krijgt.

Aanvankelijk werkte het EMS goed: het zorgde voor stabiele wisselkoersen in de Europese Unie, waardoor de interne markt zo min mogelijk werd verstoord door wisselkoersschommelingen. Devaluaties waren er wel, maar redelijk ordelijk. Tot er eind jaren tachtig een sfeer rond het EMS ontstond waarin devaluaties te veel in verband werden gebracht met prestigeverlies en steeds schaarser werden. De valutahandel kreeg zo'n geloof in Europa's economische integratie dat bij sommige wisselkoersverhoudingen, die zichtbaar uit verband waren, geen vragen werden gesteld. Dat vooruitgangsgeloof beleefde zijn hoogtepunt eind 1991, toen het Verdrag van Maastricht Europa's monetaire toekomst vastgelegde in een muntunie nog voor het einde van de eeuw.

Volgens het boekje luisteren wisselkoersen op de lange termijn naar koopkrachtpariteit: als in Duitsland de inflatie laag is, en in Italië struktureel veel hoger, dan zal de koers van de lire op den duur moeten dalen ten opzichte van de Duitse mark. Maar terwijl Italië een structureel hogere inflatie kende dan de noordelijke landen, werd de spilkoers van de lire slechts mondjesmaat aangepast. Zo week de wisselkoers tussen de lire en de Duitse mark (en overigens ook de gulden, en de Belgische en Franse franc) op basis van koopkrachtpariteit steeds verder af van de koers die binnen het EMS werd gehandhaafd.

Die sluipende ondermijning van de lire werd nijpender, toen Duitsland zich gedwongen zag een hoge rente te voeren in verband met het terugdringen van de inflatie die het gevolg was van de eenwording na 1989. Italië moest, om de lire te verdedigen, een onhoudbaar hoge rente voeren. Het geloof op de valutamarkt in het EMS kreeg intussen een fatale klap toen Denemarken in mei '92, een half jaar na ondertekening, het Verdrag van Maastricht in een referendum afwees.

De ondergang van de lire voltrok zich daarna snel. Op 16 september 1992 zag Italië zich na een speculatiegolf op de valutamarkt gedwongen de lire uit het EMS te halen. De munt kelderde met ruim een derde in waarde in een paar maanden tijd. Maar in feite keerde de lire terug naar de koers die hij al jarenlang had moeten hebben. In de jaren daarna daalde de lire, vooral in het tijdperk-Berlusconi, nog veel verder. Om in de loop dit jaar zo spectaculair te herstellen dat terugkeer in het EMS in zicht is gekomen.

Maar wat is de ideale koers waartegen de munt weer kan toetreden? Met name Frankrijk, dat vreest dat zijn bedrijfsleven lijdt onder Italiaans concurrentievoordeel, pleit voor een hoge spilkoers van de lire. De Italiaanse regering ziet liever een zwakkere lire.

De huidige koers, gisteren op 1006 lire per Duitse mark, ligt niet ver af van de koopkrachtpariteit op dit moment. Fabio Fraschetti, analist van het Londense valutabedrijf IDEA, komt uit op een pariteit van 970 lire per D-mark maar tekent aan dat gezien Italie's tekort op de betalingsbalans, een iets zwakkere koers grechtvaardigd is: “De Fransen zullen inzetten op zo'n 950 lire per D-mark, Italië op 1050 lire. Wij gaan uit van een compromis van tussen de 1000 en 1010 lire.”

De Amerikaanse bank Goldman Sachs, die een eigen systeem heeft ontwikkeld om evenwichtskoersen te berekenen, komt op basis van zijn Dynamic Equilibrium Exchange Rate (DEER)-model op een koers van 929,8 lire per D-mark. Gecorrigeerd voor het verschil in reële rente tussen Duitsland en Italië, dat het vertrouwensverschil van beleggers in de Duitse en Italiaanse munt weergeeft, is de evenwichtskoers van de lire iets zwakker, op 950 lire per D-mark. De bank overweegt dat een compromis tussen Frankrijk, Italië en Duitsland neer zal komen op een spilkoers van 975 tot 980 lire voor een D-mark.

Hoewel op de valutamarkt het scenario rondzingt van een toetreding van de lire volgend weekeinde denkt Fraschetti, in verband met de behandeling van de Italiaanse begroting in de Senaat, dat het een week of twee weken later kan worden. Maar met de Finse markka, die op 12 oktober in het EMS werd ingebracht, ging het ook sneller dan gedacht. De ministers van financiën en de centrale bankiers, die in het monetair comité van de Europese Unie over de toetreding beslissen, zijn de valutahandel als het even kan liefst een stapje voor.

    • Maarten Schinkel