Lastige lijfrenten

Koopsompolissen, lijfrenteverzekeringen, lijfrentekoopsommen, brede herwaardering en veel meer duistere termen hebben te maken met het fiscale fenomeen van de individuele voorziening voor de oude dag. Je mag de koopsom of premie van zo'n polis aftrekken van je belastbare inkomen. Wie 60 procent inkomstenbelasting betaalt over de top van zijn inkomen, krijgt dus 60 procent subsidie van de overheid.

Alleen al dit belastingvoordeel prikkelt mensen om zo'n polis af te sluiten. De rest interesseert ze niet. Gezien vanuit de persoonlijke financiële planning is dat onverstandig, want eens komt de tijd dat je die verzekeringen om moet zetten in één lijfrente of af moet kopen, voorzover toegestaan. Hoe voordelig pakt zo'n verplichting dan uit?

Dé bron van informatie is een assurantiebemiddelaar. Gebruik je meerdere tussenpersonen, vraag er dan een paar om raad en vergelijk de uitkomsten. Direct writers werken niet met tussenpersonen. Wie bij die verzekeraars polissen heeft lopen en daar lijfrenten wil onderbrengen, moet zelf bij een of meer maatschappijen prijzen opvragen.

Een derde steunpunt is de onafhankelijke pensioenadviseur, bij uitstek deskundig in lijfrenten, die geen onderscheid maakt tussen verzekeraars die werken met of zonder tussenpersonen.

Een lezeres uit Nijmegen uit haar tevredenheid over koopsompolissen, dat zijn lijfrenteverzekeringen tegen eenmalige premiebetaling. Op 55 jaar is ze weer gaan werken in een goed betaalde baan. Vanaf haar 59ste kocht ze ieder jaar een koopsompolis voor een eigen oudedagslijfrente die op 65 jaar begon te lopen. De aftrekbare premies vielen in het 50 procent inkomstenbelastingtarief, zodat de fiscus de helft meebetaalde. Aanleiding voor deze stap was het geringe weduwenpensioen dat ze zou ontvangen na het overlijden van haar man. Die lijfrente valt nu in het lage tarief voor 65-plussers van 15,4 procent. Dus een voordelige verschil van 34,6 procent(aftrek 50 procent, belast 15,4 procent). “Voor echtparen waarvan de vrouw naast de AOW straks weinig ouderdomspensioen zal ontvangen, is deze constructie zeker het overwegen waard”, concludeert de Nijmeegse. Is dat zo? Nee, er kleven enkele bezwaren aan dit advies.

Mevrouw benadrukt alleen het fiscale voordeel, net als de verzekeraars, en negeert andere aspecten. Allereerst de korte looptijd, waardoor de provisie en administratiekosten relatief zwaar drukken op de koopsom. Als een verzekeraar per 10.000 gulden bijvoorbeeld 65 procent belegt en 35 procent (niet elke maatschappij rekent zó veel) inhoudt voor kosten, blijft er van 50 procentbelastingvoordeel slechts 15 procent over. Tegenover dit 'voordeel' staat de verplichting een lijfrente te kopen, waarop 15,4 procent belasting ingehouden wordt. Van het voornoemde voordeel van 34,6 procent blijft dus niets over. Een ander aspect betreft het overlijden van mevrouw: dan stopt de rente op haar lijf.

In dit voorbeeld valt er wat voor te zeggen om de zes koopsommen (van 59 tot 64 jaar) fiscaal gunstig, veilig en in eigen beheer te beleggen. Zo levert 5.000 gulden per jaar tegen 8 procent netto op de pensioendatum bijna 40.000 gulden op. Zolang meneer leeft, hoeft deze reserve niet te worden aangesproken en groeit verder. Alleen de opbrengst - dividend en/of rente - is belast. De koerswinsten zijn belastingvrij.

Wat biedt een verzekeraar waar je zes jaar achtereen 10.000 gulden stort (in feite 5.000 door het 50 procent belastingvoordeel), als die bijvoorbeeld effectief vier procent rendement biedt? Circa 70.000 gulden, omdat de verzekeraar meer belegt dan 5.000 gulden en ook sterftewinst biedt, als de verzekerde blijft leven.

Maar over dat hoger kapitaal mag je als verzekerde niet beschikken. Je moet er een lijfrente van kopen. Dat levert voor een levenslange rente rond 5 procent of 3.500 gulden per jaar op. Daar gaat altijd belasting af.

Wat heb je liever: 50.000 gulden in eigen beheer of 70.000, in de kluis van de verzekeraar, waar je ieder jaar, ongeacht je leeftijd (dat is een voordeel), een stukje van krijgt?

    • Adriaan Hiele