Het internationale stilzwijgen bij een schrikbewind; Leven en sterven in Cambodja

Twee concurrerende premiers heeft Cambodja en samen smoren ze het land in corruptie en geweld. De Amerikaanse auteur William Shawcross, die verschillende boeken over het land heeft geschreven, reisde naar Cambodja en hoorde tot zijn verbijstering dat de regering bereid zou zijn een van de ex-leiders van het moorddadige Pol-Potregime op te nemen.

Met het verstrijken van de jaren lijkt de toestand in Cambodja steeds moeilijker te doorgronden. De koning, Norodom Sihanouk, is tweemaal gekroond maar heeft weinig in te brengen. Het land heeft twee premiers, die in feite binnen één regering concurrerende kabinetten leiden. De ene, Hun Sen, is veel machtiger dan de andere, prins Norodom Ranariddh, de zoon van Sihanouk, wiens relatie met zijn vader precair is.

De twee premiers hebben nu de koning, min of meer tegen zijn zin, ertoe overgehaald gratie te verlenen aan Ieng Sary, de vroegere zwager van Pol Pot en een van de leiders van de Rode Khmer, wellicht het moorddadigste regime van de moderne tijd. Zand erover.

Zal Ieng Sary binnenkort een rol krijgen in de tweekoppige regering? Daarover voert hij naar men zegt besprekingen met zowel Hun Sen als prins Ranariddh, terwijl hij zich schuilhoudt op een geheime plaats nabij de grens met Thailand, waar hij nog altijd beschikt over enkele honderden militairen, zo'n twintig procent van de Rode-Khmerstrijdkrachten, die hem zijn gevolgd. Het kan maanden duren voordat wij hierover uitsluitsel krijgen. Duidelijk is in elk geval dat de nieuwe regering, die in 1993 is voortgekomen uit de meest ambitieuze vredesoperatie van de VN, is vastgelopen in corruptie, geweld en bedrog.

Hoe het zover heeft kunnen komen, valt goed af te lezen aan het leven, en de dood in mei van dit jaar, van Thun Bun Ly, een Cambodjaanse krantenuitgever en redacteur die kritisch stond tegenover de koninklijke regering van Cambodja. Op zaterdag 18 mei verliet Thun Bun Ly om ongeveer half elf 's morgens zijn huis in Phnom Penh en hield een bromfietstaxi aan. In Straat 95 werd hij ingehaald door een andere bromfiets met twee mannen erop, van wie de ene een uniform droeg. Een van hen schoot met een pistool twee kogels in zijn borst en een in zijn linkerarm. Thun Bun Ly viel op de grond en de taxibestuurder sloeg op de vlucht.

Thun Bun Ly stierf op straat. Omstanders brachten zijn lichaam naar een tempel. Volgens door Amnesty International ontvangen berichten zijn later die dag politieagenten uit Phnom Penh naar die tempel gekomen, waar zij met behulp van stokjes de kogels, en daarmee het bewijsmateriaal, uit het lichaam hebben verwijderd.

Thun Bun Ly wist dat hij in gevaar verkeerde. De laatste jaren waren in Phnom Penh al verscheidene journalisten gedood, die de regering kritisch volgden. Vele anderen waren bedreigd. Voordat Thun Bun Ly die ochtend zijn woning verliet, had hij bezorgd tegen een vriend gezegd dat hij dacht te zijn gevolgd na een bezoek aan Sam Rainsy, de voornaamste criticus van de regering. Rainsy was de oprichter van de nieuwe Partij van de Khmer-Natie, met de restanten van de Rode Khmer de voornaamste tegenstander van de regering.

Een van de twee premiers, Ranariddh, veroordeelde de moord. Hun Sen, de voormalige communist die in Cambodja al jaren de sterke man is, deed dat niet.

Rainsy noemde de moord 'staatsterrorisme', bedoeld om de kritiek op een steeds corrupter en wreder regime te smoren. De Amerikaanse ambassade liet voorzichtig haar afkeuring van de moord blijken; andere ambassades lieten niets van zich horen. Vroeger placht onderdrukking van de mensenrechten in Cambodja de verontwaardiging van andere regeringen op te wekken. Nu niet.

Marionettenregime

Leven en sterven van Thun Bun Ly vormen een afspiegeling van de barre tijden die Cambodja de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. Hij werd geboren in 1957 en groeide op in de betrekkelijk kalme jaren zestig, toen Norodom Sihanouk met een 'neutraliteitspolitiek' zijn best deed om Cambodja buiten de oorlog in Vietnam te houden.

Na de val van Sihanouk in 1970 werd het land tegen wil en dank bij de oorlog in Vietnam betrokken, waarna het in de volgende vijf jaren grotendeels werd verwoest. Toen de communisten van de Rode Khmer - in 1970 nog volstrekt onbeduidend - in 1975 in Cambodja de macht grepen, zonden zij Thun Bun Ly, die toen in Phnom Penh studeerde, en vrijwel alle overige inwoners van de stad in binnenlandse ballingschap. De volgende drie jaar bewerkte hij het land, onder het bizarre stalinistisch-maoïstische experiment dat de Rode Khmer 'Democratisch Kampuchea' noemde, en dat ten minste een miljoen mensen het leven heeft gekost.

Eind 1978 versloeg Vietnam zijn vroegere bondgenoot de Rode Khmer en installeerde een marionettenregime, waarin deserteurs van de Rode Khmer de boventoon voerden. De zwaargewicht onder hen was Hun Sen, een eenogige voormalige Rode-Khmerofficier, die eerst minister van buitenlandse zaken werd en daarna premier. Thun Bun Ly keerde terug naar Phnom Penh en werd ambtenaar bij bosbeheer.

Na hun invasie stelden de Vietnamezen niet meer dan twee Rode-Khmerleiders verantwoordelijk voor de massaslachting van de voorafgaande drie jaar. Zij noemden dat regime de 'Pol Pot-Ieng Sary-kliek' en berechtten deze in hun afwezigheid in augustus 1979 in een showproces. Pol Pot en Ieng Sary werden vlot schuldig bevonden en bij verstek ter dood veroordeeld. Dat oordeel werd onlangs ten dele opgeheven met de gratie voor Ieng Sary.

Zoals vele Cambodjanen verwelkomde Thun Bun Ly aanvankelijk de Vietnamezen die hem van de Rode Khmer bevrijdden, maar op den duur ging hij zich ergeren aan de aanhoudende bezetting, gesteund door de Sovjet-Unie, en aan het ruwe bewind van de Cambodjanen door wie Vietnam het land liet besturen. Weldra richtte de regering van Hun Sen een geheime politie op, die door westerse mensenrechtenorganisaties werd gelaakt omdat zij dissidenten arresteerde, folterde en doodhongerde. Thun Bun Ly werd lid van een anti-Vietnamese organisatie en vluchtte later, samen met honderdduizenden andere Cambodjanen, naar een van de vluchtelingenkampen nabij de Thaise grens.

In 1989, na de koerswijziging van de Sovjet-Unie onder Gorbatsjov, trok Vietnam zijn troepen terug uit Cambodja. In oktober 1991 kwamen negentien landen en vier Cambodjaanse facties een vrede overeen waarbij de VN werd opgedragen: 1) een overgangsregering voor het land in te stellen, 2) de vier legers te ontwapenen, en 3) verkiezingen voor te bereiden voor een nieuwe regering die door de internationale gemeenschap zou worden aanvaard. Thun Bun Ly was een van de velen die onder het repatriëringsprogramma van de VN naar Phnom Penh terugkeerden.

Dat de Rode Khmer in de overeenkomst werd betrokken, werd in brede kring beschouwd als een compromis met een boosaardige macht, maar de westerse politici voerden aan dat het een pragmatisch compromis was. Het was de enige manier om de Chinezen zover te krijgen dat ze enerzijds hun steun aan de troepen van Pol Pot beëindigden en anderzijds het door Vietnam gesteunde regime, dat ze als een vijand beschouwden, erkenden. Het alternatief was: voortzetting van de oorlog.

Taittinger-champagne

Eerder dit jaar, op de eerste ochtend dat ik weer in Phnom Penh was, dronk ik thee met een hoge VN-functionaris. Cambodja, zei deze, had nu een 'casinocultuur'. Daarmee zinspeelde hij niet alleen op de goktenten die bloeien in Phnom Penh. Cambodja, nog altijd een van de armste landen ter wereld, is volgens deze functionaris, een staat geworden met tweehonderd schatrijke families en vier miljoen arme.

Overal in Phnom Penh schieten gebouwen de lucht in. Er zijn tientallen banken bij, die veelal dekmantels zouden zijn voor het witwassen van uit corruptie verkregen inkomsten van vooraanstaande politici, generaals en zakenlui. Grote hoeveelheden opium en heroïne uit Laos - ter waarde van honderden miljoenen dollars, zegt men - worden via Cambodja naar Thailand en verder vervoerd. Een van de rijkste zakenlui van het land zou een grote drugshandelaar zijn; hij is ook nauw gelieerd met beide premiers, die fortuin hebben gemaakt.

Later ben ik twee uur op bezoek geweest bij koning Sihanouk in zijn paleis aan de oever van de Mekong. Hij was nogal altijd dezelfde charmante drukke prater, die mij Taittinger-champagne en bonbons voorzette. Maar hij leek een teleurgesteld man. Onmachtig moet hij toezien hoe Cambodja van de ene crisis naar de andere zwalkt. Als voormalig alleenheerser werd hij vernederd door de Rode Khmer, die hem onder huisarrest plaatste en vele van zijn familieleden doodde.

“Na de verkiezingen van 1993”, zei hij, “hebben Hun Sen en Ranariddh zich voorgenomen alles te delen. Ik kies mijn woorden. Zij hebben een wonderbaarlijk recept ontdekt. Het is verrukkelijk.” Zij delen blijkbaar alles, op de gokwinsten na. De twee grootste casino's van het land, die elk gelieerd zijn met een van de twee premiers, zijn verwikkeld in een bij vlagen gewelddadige strijd. Toen er een derde casino werd geopend, gefinancierd met Koreaans geld, stuurde een met Hun Sen verbonden minister tanks om het te sluiten.

Beide premiers laten nu de koning links liggen. Hij heeft sympathie getoond voor de door Sam Rainsy geleide oppositie en voor de belaagde redacteuren van kranten en tijdschriften, die Hun Sen vrezen, en die nog altijd steun verwachten van de koning. Maar Sihanouk is 74, hij sukkelt met zijn gezondheid en hij denkt niet dat hij veel voor hen kan doen. “Ik lijk wel een plak ham in een sandwich, maar dan niet zo'n heerlijke sandwich als Lord Sandwich indertijd bedacht. Ik zit klem tussen de regering en de oppositie.”

De Nationale Vergadering is meer en meer speelbal van de regering geworden. Leden van de Vergadering die van de lijn van Hun Sen leken af te wijken, werden bedreigd. Openlijk afwijkende meningen worden door de regering aan de kaak gesteld als steun voor de Rode Khmer en schadelijk voor de 'opbouw van de natie', waaraan Ranariddh en Hun Sen beweren te werken. Functionarissen van de Volkspartij die zich tegen Hun Sen keerden, zijn als samenzweerders tot lange gevangenisstraffen veroordeeld.

In oktober 1994 heeft Ranariddh de begaafde, strijdlustige minister van financiën Sam Rainsy ontslagen, een onverbloemd pleitbezorger van fiscale hervormingen. Hij drong er onder meer op aan dat overheidsopdrachten naar de goedkoopste aanbieders zouden gaan. Zulke ideeën vormden een ernstige bedreiging voor de lucratieve commerciële belangen van de voornaamste politici.

Rainsy vestigde de aandacht op de plundering van de hardhoutbossen in Cambodja. Eind jaren tachtig vormden ze nog een schat zonder weerga in Zuidoost-Azië, waar uitgestrekte wouden al waren kaalgeslagen. Nu ligt de bijl ook aan de wortel van Cambodja's bossen. Volgens een recent rapport van de in Londen gevestigde milieugroep Global Witness is de regering van plan alle resterende bossen - die 35 procent van het land bedekken - uit te verkopen door negentien kapvergunningen te verlenen aan merendeels buitenlandse ondernemingen. De meeste van die concessies zijn in het geheim verleend door de twee premiers. Zelfs het ministerie van Financiën, dat accijns zou moeten heffen op de verkoop van het hout, is er dikwijls buiten gehouden.

Tijdens de burgeroorlog hebben beide partijen hout verkocht om hun militaire campagnes te financieren. In sommige delen van het land hebben de Rode Khmer en de regeringstroepen geregeld veldslagen om kaphout geleverd. Elders werken ze samen om de hoogste prijzen te realiseren. Dorpelingen en stammen die de houtwinners voor de voeten liepen, zijn weggevoerd of zelfs vermoord, en journalisten die proberen de corrupte handel in hout of verdovende middelen aan de kaak te stellen, kunnen worden bedreigd, aangevallen en zelfs, zoals Thun Bun Ly overkwam, vermoord.

Mafiastaat

Een van de grootste verdiensten van het overgangsbewind van de Verenigde Naties in Cambodja (UNTAC) is dat het bepaalde instellingen uit de beschaafde wereld heeft ingevoerd in een land waar ze volslagen onbekend waren. Voor het eerst konden Cambodjaanse mensenrechtenorganisaties zich formeren en voor het eerst bloeide een vrije pers op. De mensen kregen voldoende zelfvertrouwen om aanmerkingen te maken op hun leiders, waarbij dikwijls harde woorden vielen. Sedert 1994 hebben de beide eerste ministers meer en meer duidelijk gemaakt dat zulke kritiek niet meer zal worden geduld.

Dit voorjaar meldde Amnesty International dat zich in Cambodja “qua respect voor de mensenrechten een gestage achteruitgang” had voorgedaan. In 1995 is een nieuwe perswet aangenomen die, ofschoon minder draconisch dan het oorspronkelijke ontwerp, de publicatie onwettig verklaart van alles wat schadelijk wordt geacht voor “de nationale veiligheid of de politieke stabiliteit”. Politieagenten en militairen die geweld hebben gebruikt tegen critici van het regime, zijn niet bestraft.

In september 1994 is Nuon Chan, de redacteur van de Stem van de Khmer-jongeren, op straat doodgeschoten. In september 1995 werd een handgranaat naar binnen gegooid bij het bureau van het Ochtendnieuws, nadat deze krant had geschreven over betrokkenheid van militairen bij de heroïnehandel. In oktober 1995 is het Nieuws van de nieuwe vrijheid overhoop gehaald; getuigen van de overval zeiden dat lijfwachten van Hun Sen deel uitmaakten van de bende. De drukkers van andere oppositionele kranten willen deze uit angst niet meer drukken.

De laatste maanden heeft Hun Sen, die woont op een zwaar versterkt, omheind terrein aan de rand van Phnom Penh, zijn paranoia steeds sterker gericht op de man die hij als zijn grootste vijand ziet: Sam Rainsy. Vorig jaar november heeft Rainsy een nieuwe politieke partij opgericht, de Partij van de Khmer-Natie. 's Konings regering heeft deze partij sedertdien met alle mogelijke argumenten onwettig verklaard en uitgesloten van deelname aan de in 1998 te houden verkiezingen. Desalniettemin wordt de huidige regering zo algemeen veracht, dat de partij zich aanzienlijke steun heeft verworven. Zelf beweert Rainsy dat ze meer dan 60.000 leden heeft. De soms wat roekeloze leider reist nu het land in en uit en bestookt de regering met beschuldigingen. Hij kenschetst Cambodja als een 'mafiastaat', waarin de machtigste politici en rijke zakenlui boven de wet staan.

De door de VN gewekte verwachtingen waren uiteraard onrealistisch. Ik weet nog dat een functionaris mij uitlegde dat de UNTAC in het leven in Cambodja een ommekeer teweeg zou brengen. Daar kon echter geen sprake van zijn in een land met een traditie van autoritair bestuur, een land met 21 jaar burgeroorlog achter de rug, een land waar de massamoorden van de Rode Khmer waren gevolgd door een meer orthodox, maar sterk repressief communistisch regime.

Toch hebben Cambodja en de Cambodjanen geprofiteerd van het vredesverdrag en de missie van de VN: toen de oorlog nagenoeg voorbij was, konden honderdduizenden vluchtelingen terugkeren. Steeds meer Cambodjanen beseffen dat zij aanspraak kunnen maken op rechten die hun worden onthouden. In navolging van Washington hebben echter vele buitenlandse regeringen de ogen gesloten voor het optreden van het bewind.

Bijna de helft van Cambodja's jaarbegroting van 410 miljoen dollar wordt betaald door westerse landen. Sedert het vredesverdrag van Parijs hebben westerse naties 2,3 miljard dollar toegezegd, waarvan ongeveer de helft is betaald. Tot nog toe hebben de schenkers nauwelijks voorwaarden verbonden aan deze hulp, zodat zij in feite het autoritaire bewind en de corrupte plannen van Hun Sen hebben goedgekeurd. De misstanden van de afgelopen zomer, in het bijzonder de moord op Thun Bun Ly, zouden hen tot een heroverweging van hun positie kunnen brengen. De VS, de Europese Unie en het IMF hebben allemaal onlangs verklaringen afgelegd met de strekking dat toekomstige bijstand zal afhangen van vooruitgang op het gebied van de mensenrechten. De EU heeft nu bovendien haar bezorgdheid uitgesproken over de vernietiging van de bossen en het IMF heeft een lening opgeschort omdat geld uit de opbrengst van de houtverkoop buiten het ministerie van financiën om wordt gesluisd.

Zulke maatregelen mogen dan getuigen van - late - verontrusting over het schrikbewind van Hun Sen, toereikend zijn ze niet. Hoe ontoereikend ze zijn, blijkt uit een geheime toespraak van Hun Sen van eind juni, die begin augustus is gepubliceerd in de Phnom Penh Post (een voortreffelijke krant van twee Amerikanen, die wegens zijn onafhankelijke berichtgeving zelf door de overheid wordt belaagd).

Op 29 juni waarschuwde Hun Sen in een rede tot zo'n negenhonderd aanhangers dat de koninklijke familie hem niet moest provoceren: “Van één lid van het koningshuis hebben wij ons al (ontdaan) - twee zelfs, een in 1994, een in 1995. Als er in 1996 nog een moet volgen, dan kan dat gebeuren (...). De koning is als enige onaantastbaar, maar alleen zolang de koning zich aan de constitutie houdt. Laat daar geen misverstand over bestaan. Als u zich niet aan de constitutie houdt, dan staat u wat te wachten.”

Vervolgens kwam in augustus het verbijsterende nieuws dat Ieng Sary, jarenlang medewerker en zwager van Pol Pot, in het geheim had onderhandeld om naar de regering over te lopen. Ieng Sary en zijn Rode-Khmertroepen beheersten de edelsteenmijnen en bossen rond de stad Pailin nabij de grens met Thailand - het lucratiefste domein waarover de Rode Khmer beschikte.

Hun Sen, de voormalige Rode-Khmerfunctionaris die sinds 1979 luider dan wie ook heeft afgegeven op de 'Pol Pot-Ieng Sary-kliek', heeft het dus met de helft van die kliek op een akkoordje gegooid. Ieng Sary heeft op een persconferentie nabij de Thaise grens ontkend iets te maken te hebben gehad met de door de Rode Khmer aangerichte slachtingen. “Er werd altijd beweerd dat ik de tweede man was na Pol Pot. Dat is niet waar. Pol Pot nam alle besluiten; alle anderen voerden die alleen maar uit.”

De twee premiers regelden in allerijl amnestie voor Ieng Sary. De koning voelde er aanvankelijk weinig voor om hem gratie te verlenen, want hij vond dat behoorlijk moest worden onderzocht in hoeverre Ieng Sary verantwoordelijk was voor de ontstellende misdaden van de jaren zeventig. Onder druk gezet, tekende hij toch, op voorwaarde dat de Nationale Vergadering de amnestie zou goedkeuren - hetgeen geschiedde.

Voordat de gratie werd verleend, schreef Amnesty International Sihanouk een open brief, waarin de organisatie stelde: “Het is belangrijk dat iedereen die betrokken is bij het streven naar nationale verzoening in het belang van de toekomst van Cambodja, niet uit het oog verliest dat de waarheid over Cambodja's verleden aan het licht moet komen. (...) Amnestieën die helpen verhinderen dat de waarheid aan het licht komt en dat de verantwoordelijken worden berecht, mogen niet aanvaardbaar zijn.”

De koning antwoordde dat hij het volkomen met Amnesty eens was, maar dat hij als louter constitutioneel vorst geen andere keus had dan te doen wat zijn eerste ministers en het parlement van hem verlangden. Hij was zo woedend op het parlement dat hij vorige maand heeft voorgesteld om alle gewone gevangenen eveneens amnestie te verlenen, omdat de misdrijven die zij hebben begaan, nooit zo zwaar kunnen zijn als die van de Rode Khmer.

Afgezien van het optreden van Amnesty International is de hele gratiekwestie tot dusverre op officieel niveau in de hele wereld op stilzwijgen gestuit. Aan een leider van wat sedert lang bekend staat als een van de afschuwelijkste regimes van de moderne tijd, is uit politiek opportunisme gratie verleend. Al was het in 1979 tegen Pol Pot en Ieng Sary gevoerde proces dan een farce, het is niet zo dat tegen hen en anderen geen deugdelijk bewijsmateriaal zou kunnen worden gevonden en aangevoerd. De regering in Phnom Penh heeft er duidelijk geen belang bij om dat te doen.

Copyright New York Review of Books

    • William Shawcross
    • Vertaling Jaap Engelsman