Hervorming van EU vooralsnog rituele dans

BRUSSEL, 9 NOV. Het is een proces dat zich sinds afgelopen voorjaar om de paar weken als een vast ritueel herhaalt. Delegaties van de vijftien lidstaten van de Europese Unie zitten bij elkaar en schieten ieder voorstel tot hervorming van de EU dat op tafel komt vakkundig af. Ze hebben altijd wel een voorzichtig voorbehoud of een principieel bezwaar bij de hand.

De Ier Noel Dorr is tot het einde van dit jaar voorzitter van dit gezelschap, dat onderhandelt over de herziening van het uit 1991 daterende Verdrag van Maastricht en moet uitzoeken op welke punten een kans bestaat dat de delegaties ooit overeenstemming met elkaar bereiken. Die rol bij de Intergouvernementele Conferentie over het verdrag krijgt vanaf 1 januari volgend jaar de Nederlandse staatssecretaris Michiel Patijn. Hij bereidt zich nu al voor op die positie door zo weinig mogelijk op de voorgrond te treden met zijn mening over de voorstellen die worden gedaan.

Hij wil volgend jaar de reputatie hebben van een voorzitter die alle standpunten respecteert. Veel inspanning behoeft de terughoudendheid Patijn niet te kosten. Hij is ervan verzekerd dat, als hij zwijgt, anderen zich wel inspannen om de voorstellen te torpederen waartegen hij bezwaren heeft. Het streven is dat onder het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie tijdens een top van staats- en regeringsleiders in Amsterdam een nieuw verdrag wordt ondertekend.

Een lid van de Belgische delegatie bij de onderhandelingen, Franlin Dehousse, schetste vorige week voor het adviescomité voor Europese aangelegenheden van het Belgische parlement een weinig opwekkend beeld van de voortgang van de IGC. Volgens hem zijn de vijftien lidstaten van de EU het op geen enkel wezenlijk punt met elkaar eens. De extra topbijeenkomst van de Europese staats- en regeringsleiders begin vorige maand in Dublin heeft daaraan niets veranderd.

Die top was belegd op aandrang van de Franse president Chirac, die dacht dat daarmee wat vaart in de IGC te kunnen brengen. Hij verwierf de steun van de Duitse bondskanselier Kohl. Veel regeringsleiders - ook premier Kok - verborgen de tegenzin niet waarmee zij naar Dublin waren gekomen. Diplomaten herhalen voortdurend dat onderhandelingsresultaten pas in de laatste maanden geboekt kunnen worden. Dan staan alle delegaties onder grote druk om tot resultaten te komen.

Iedereen ziet in, dat nieuwe afspraken nodig zijn over zaken als de omvang van de Europese Commissie en de huidige regel dat besluiten over het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid en over justitie meestal eenstemmigheid vereisen. Als die kwesties niet zijn opgelost, kunnen onderhandelingen over toetreding van Midden- en Oosteuropese landen tot de EU moeilijk beginnen, want anders dreigt de EU onbestuurbaar te worden. Na volgend jaar zomer hebben de Europese lidstaten hun handen vol aan de voorbereiding van de Economische en Monetaire Unie.

Duitsland en Frankrijk hebben twee weken na de top in Dublin een nieuwe poging gedaan om de IGC-onderhandelingen leven in te blazen. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Klaus Kinkel, en zijn Franse collega, Hervé de Charette, presenteerden een blauwdruk voor flexibiliteit, waardoor groepen lidstaten van de EU die dat wensen op terreinen nauwer kunnen gaan samenwerken zonder dat andere lidstaten hiertegen een veto kunnen uitspreken. Het document was de uitwerking van een eerder voorstel van Kohl en Chirac.

Zodra het stuk bij de IGC onderhandelaars op tafel lag, begon het traditionele afschieten. Vanuit Groot-Brittannië, Spanje en Scandinavië kwam een regen van kritiek. De Duits-Franse flexibiliteit zou ertoe leiden dat landen die op bepaalde gebieden niet of nog niet verder met andere EU-landen willen integreren, bij belangrijke EU-ontwikkelingen buitengesloten zouden raken. Ook waren er klachten over de vele onduidelijkheden in het Duits-Franse voorstel. Diplomaten uitten het vermoeden dat achter die vaagheden gebrek aan overeenstemming schuil ging tussen Bonn en Parijs over de uitwerking van de flexibiliteit in een nieuw Verdrag van de Europese Unie. Frankrijk is bijvoorbeeld op het gebied van het buitenlands beleid minder bereid tot besluiten met een gekwalificeerde meerderheid dan Duitsland.

Ook in Den Haag heeft het document veel vragen opgeroepen. Met name is niet duidelijk of Frankrijk en Duitsland de flexibiliteit uitsluitend willen voor de zaken die nu onder de intergouvernementele samenwerking vallen - gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid en samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken - of ook voor de economische samenwerking, waarvoor soevereiniteit aan de EU is overgedragen. Tegen dat laatste bestaan bezwaren, omdat het tot onrust bij het bedrijfsleven zou kunnen leiden. Bovendien zou het een verkeerd signaal zijn naar kandidaat-lidstaten die in de gemeenschappelijke markt moeten integreren. Die zouden de neiging kunnen krijgen het rustiger aan te doen met aanpassingen aan de gemeenschappelijke markt, omdat er toch verschillende gradaties binnen de Gemeenschap komen. Duitsland heeft tot nu toe tevergeefs getracht deze onrust weg te nemen door te zeggen dat er in de praktijk nooit flexibiliteit bij de gemeenschappelijke markt zal komen.

Maar ook bij de gebieden die nu onder de intergouvernementele samenwerking vallen heeft het Duits-Franse document vragen opgeroepen. Als de IGC ertoe leidt dat bij samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken soevereiniteit aan de EU wordt overgedragen, dan is voor die gebieden geen flexibiliteitsclausule in het verdrag nodig. Eventueel kan worden volstaan met een uitzondering voor Groot-Brittannië, op dezelfde wijze waarop in 1991 voor die lidstaat het sociale hoofdstuk van het Verdrag van Maastricht niet van toepassing werd verklaard.

Ook bij het buitenlands- en veiligheidsbeleid is introductie van flexibiliteit alleen nodig voor die gebieden waarvoor geen besluiten met een gekwalificeerde meerderheid genomen kunnen worden. Wat die gebieden zijn, is voorlopig onduidelijk. De grote lidstaten - Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië - willen in ieder geval niet de kans lopen bij dit beleid door een gekwalificeerde meerderheid overstemd te worden. Over de noodzaak van een flexibiliteitsclausule in het nieuwe verdrag - waardoor de Europese integratie niet op het traagste land behoeft te wachten - is iedereen het eens. De Europese Commissie en het Europees Parlement hebben het ook bepleit. Maar hierover nu al praten vinden veel IGC-onderhandelaars te vroeg. Zij willen er pas over beginnen als duidelijk is waarvoor flexibiliteit eventueel nodig is. Zo draaien ze voorlopig in een vicieuze cirkel rond, want er bestaat nog geen enkele overeenstemming tussen de vijftien lidstaten over de gebieden waarvoor de mogelijkheid van flexibiliteit overbodig is.