Geen gefilosofeer, graag alles op één A4-tje!

Zo langzamerhand moet het geen vreemd beeld meer zijn: de beleidsambtenaar die zijn medewerkers toeroept: “Kom op, ideeën! Voorstellen! Maar graag op één A4-tje!” Het lijkt zo to the point en pragmatisch om blijk te geven van een no-nonsense mentaliteit.

Het zal uiteindelijk wel het beste voor ons zijn. Wat is de input-ouput rate, kan iemand iets zeggen over het te verwachten rendement? De harde werkers zijn hard aan het werk, op tv draait de pretmachine op volle toeren, waar zeuren we over? Niemand vraagt Endemol verantwoording af te leggen. Waarom zou men, de winstcijfers zijn uitstekend, ze gaan zelfs naar de beurs. 'Ik heb pret, dus ik besta', zou het devies kunnen zijn. Niemand wordt verboden te filosoferen, maar is het de investering wel waard? God is immers al zeker drie decennia dood, het communisme is gevallen, de ideologieën zijn ontmaskerd. De sociaal-democraten schurken zich bangig tegen de liberalen aan en laten ferme Nieuw-Flinkse geluiden horen opdat iedereen beseft dat ook zij weten dat elk dubbeltje maar één keer is uit te geven. Welaan, er wordt prima op de winkel gepast.

Drie weken geleden liet Nicolaas Matsier (NRC Handelsblad, 9 oktober) zich bezorgd uit over een kans die zo goed als zeker gemist gaat worden, namelijk de invoering van het vak filosofie in het middelbare onderwijs. Hoewel al enige pennen in beweging waren gebracht, wekt het verbazing dat vanuit de hoek der filosofen en geïnteresseerden in de ideeëngeschiedenis zo goed als niets werd vernomen. Kennis en verantwoordelijkheidsgevoel voor de publieke zaak zouden S.J. Doorman, Jaap van Heerden, Rudy Kousbroek, J.P. Guépin, om maar een paar namen te noemen, op hun achterste benen moeten doen staan.

Of valt hier niets te verdedigen en is filosofie vrijetijdsbesteding waar een pragmatisch ingesteld mens zich niet aan zou moeten overgeven? Ja, als de filosofische ideologie van de laatste drie eeuwen de ultieme waarheid zou impliceren. De context en geschiedenis van de ons overgeleverde ideeën zouden er dan niet toe doen.

Stephen Toulmin heeft in zijn Kosmopolis (1990) dit probleem al uitvoerig aan de orde gesteld. Hij presenteert daarin het standaardverhaal over de moderniteit als volgt. In de eerste helft van de 17de eeuw ontstaat een breuk met de Middeleeuwen als gevolg van de groei en bloei der steden, handel en economie, de ontwikkeling van een cultuur die meer en meer gedragen wordt door geschoolde leken, de toename van de macht van de burgerij en grotere tolerantie. In de filosofie en de natuurwetenschappen gaat het in het vervolg vooral om eerstehands ervaringen en absolute waarheden.

Hoewel het standaardverhaal niet klopt, is het wel bepalend geweest voor onze kijk op de werkelijkheid. Theorie, abstracties en absolute waarheid staan centraal. Wij zijn er langzamerhand van overtuigd geraakt dat voor ware kennis de context waarin deze ontstaan is er niet toe doet. De humanistische filosofie van de 16de eeuw wordt als historisch interessant maar voor de moderne ontwikkeling verder irrelevant terzijde geschoven. Nu werd de filosofie van deze 16de-eeuwse humanisten gekenmerkt door een voorliefde voor het specifieke, de casuïstiek, de retorica, de menselijke maat, de tolerantie. Een benadering die dus loodrecht staat op de preoccupaties van de filosofen uit het begin van de 17de eeuw, dat wil zeggen de leveranciers van het standaardverhaal.

Maar, zoals gezegd, het standaardverhaal klopt niet. De eerste helft van de 17de eeuw wordt juist gekenmerkt door grote onzekerheid, economische neergang, de Dertigjarige (godsdienst-)Oorlog en grote intolerantie. De filosofen gaan vervolgens op zoek naar een kern van ideeën waarin een ieder zich kan vinden. Men was daarbij, in tegenstelling tot wat algemeen gedacht wordt, niet alleen geïnteresseerd in het vinden van verklaringen voor mechanische verschijnselen in de wereld der natuur. Belangrijk was aan te tonen dat de orde in de natuur een natuurlijke tegenhanger vindt in de orde in de samenleving.

Zo staat het standaardverhaal aan de wieg van onze ideeën over een 'maakbare samenleving', een maatschappij als formeel systeem. Wij zijn gaan geloven dat alles een managementprobleem is, alle praktische problemen en oplossingen op één A4-tje moeten passen en het rendement het enige selectiecriterium is bij het beoordelen van oplossingen. Wij denken dat we los van ideologieën en alleen geleid door pragmatische en rationele overwegingen onze samenleving en ons leven inrichten. Het lijkt erop dat wij ons definitief hebben losgemaakt van generaties 'geestelijke tijdgenoten'.

Als wij niet slechts consumerend, consumptiegoederen producerend en pret makend op ruimteschip Aarde willen leven, dan zit er toch niets anders op dan elke generatie jonge mensen opnieuw in contact te brengen met de filosofie en de ideeëngeschiedenis. Zodat een breed draagvlak blijft bestaan van mensen die willen nadenken over verantwoordelijkheid, passies, motivaties en ideologieën en daar ook in hun maatschappelijk functioneren lucht aan willen geven. De grote maatschappelijke vragen betreffende euthanasie, ecologie, opvoeding, onderwijs en consumptie kunnen tegen deze achtergrond meer diepgang krijgen.

Er kleeft één nadeel aan, het past allemaal niet meer op één A4-tje. Het vraagt een redeneertrant die niet te vangen is in bumper-stickers. Tot nu toe riep men dat het wel redelijk ging. Het is de hoogste tijd om de filosofie van het afgelopen millennium te recapituleren, opnieuw te overdenken, ons er niet van te vervreemden. Dat betekent dat wij de toekomstige generatie ruimhartig in de gelegenheid moeten stellen met dit gedachtengoed kennis te maken.

    • J. de Ruyter