Fuchs (2)

De heer Rudi Fuchs van het Stedelijk Museum in Amsterdam is een veel geplaagd man (Z 2 nov.) Frénk van der Linden biedt hem een volle pagina om zijn zieleroerselen te etaleren. Vele alinea's diepe ontboezemingen, wrok en krokodilletranen.

Het moet een hard gelag zijn voor een man in zijn functie om budgetoverschrijdingen en dubieuze museumaankopen doorgelicht te zien door een steeds kritischer wordende burger, de politiek en meer en meer door de pers. Vooral in deze krant hebben scribenten als Montijn en Komrij voor deze kunstpaus (zoals Fuchs zichzelf graag genoemd ziet) door woord en daad (tentoonstelling Stedelijk) verscheidene zaken rechtgezet. En bij een steeds massaler wegblijvend kunstminnend publiek is dat voor een duidelijker 'démasqué' der 'eigentijdse' museale kunsten ook niet verwonderlijk. Fuchs toont de lezer zijn verlegenheid en schuwheid, al in de eerste regels van het verhaal. Zijn verleden ligt voor een ieder te kijk: van een poserende moeder, via de 'intake'-gesprekken van zijn Londense kleermaker (de ware kleren van de keizer) tot de slaapkamergeheimen en zijn strenge vrouw, Nelleke. Enigszins gegêneerd lees je verder. Er valt wat uit te stallen voor een verlegen, gekrenkte maar daarom niet minder bescheiden museumdirecteur.

Over Bruce Naumanns 'Seven Figures' grijpt Fuchs wederom zijn kans om het artistiek gehalte van dit in 1994 voor achthonderdduizend gulden aangekochte neon-monstrum in dure bewoordingen aan te prijzen. Dit museale kunstwerk, een in lineaire vorm gegoten product, is uitgevoerd in de kleuren roze, blauw/violet en groen. In Fuchs' beleving worden het 'flakkerende kubistische vlakken en elementaire Mondriaan kleuren - het vermengt ook de realiteit van de 'condition humaine' met een persoonlijk commentaar' (...). Openhartiger, ondubbelzinniger in het gegoochel met woorden kan Fuchs niet zijn dan hier: mythevorming in optima forma, en, hij meent het ècht. Kubisme of Mondriaan hebben part noch deel aan dit oplichtend kassucces. Het zwatelt maar verder, zelfs zijn grote bewondering voor Napoleon, Lenin of Stalin (“ook zo'n man die gemakkelijk is weggezet als bloeddorstig potentaat”) wordt de argeloze lezer niet bespaard.

Een pagina vol ijdel, exhibitionistisch gemurmel. Terwijl de laatste zinnen mijn netvlies passeren schiet het door mijn hoofd: 'als de vos de passie preekt ...'

    • O.C. Boerwinkel