Eeuwenlang goudplevieren vangen; De drang tot het wilsterflappen

Sinds in 1976 het doden van goudplevieren verboden is, is de jager ornitholoog geworden. De wilsterflapper trotseert kou, tegenslagen en de knorrigheid van thuis om eindeloos borstveertjes te rubriceren. 'Nog één moment en je vangt er dubbel zoveel. Of nog één moment en je vangt er niet één.'

Wilster is Fries voor goudplevier. Wilsterflappen is de gewoonte om goudplevieren te vangen met behulp van een slagnet en deze gewoonte is niet van vandaag of gisteren. Er worden al wilsters geflapt op een schilderij uit 1625, dat tegenwoordig in het Zuiderzeemuseum hangt.

En nog steeds staat de wilsterflapper achter zijn windscherm in het weiland. Dit scherm geeft beschutting, maar ontneemt ook een deel van het uitzicht. Daarom loert hij voortdurend om het hoekje, heimelijk, een man die gevaar vermoedt of gevaar betekent.

Bij de nadering van goudplevieren, meestal inderdaad in meervoud, begint hij op een houten of benen fluitje te blazen. Hij zakt daarbij enigszins door zijn knieën en buigt zijn rug, zodat zijn gezicht naar voren komt. Deze houding geeft hem iets roofdierachtigs. In het fluitje hoor je de roep van plevieren. Het is verleidelijk bedoeld, maar klinkt bij vlagen onmiskenbaar hebberig, op het bezetene af.

Een Fries gezegde luidt: 'Dy't wilsters fange wol moat fluitsje kinne'.

Bij succes buigt de wilstervanger nog wat dieper. Zonder de aangelokte goudplevieren uit het oog te laten, reikt hij naar een over de grond gespannen lijn. Op het beslissende moment maakt hij een gebaar alsof hij een bladzijde omslaat. Verderop in het weiland zie je dat gebaar ogenblikkelijk in het groot herhaald. Het net veert op, klapt neer. Vogels gevangen.

De hele bedoening is van een gerijpte eenvoud. In een paar minuten staat de installatie weer op scherp. Al voor één goudplevier loont het de moeite om het net om te halen. En één man kan het werk doen, één man volstaat om een wilsterspul te bedienen. Zo was het vroeger ook: een wilsterflapper zat de hele dag in zijn dooie eentje. In het weiland dus, achter het windscherm, de skûle. Uur na uur verstrijkt. Als je om je heen kijkt: kerktoren, boerderijen en bomen steeds op dezelfde plaats. Alleen met de koeien wordt een beetje heen en weer geschoven.

Bij de beleving van het wilsterflappen spelen de weersomstandigheden een grote rol. Vandaag valt het wel mee. Het waait nogal, maar de zon schijnt; het zou vijftien graden worden. En straks, als het vorstig wordt, valt het ook wel mee - omdat er dan geen goudplevieren meer zijn; net als kieviten trekken ze mee met de vorstgrens. Maar tussen vandaag en straks is er nog altijd volop gelegenheid voor ontberingen.

Durk Posthumus weet er alles van. Zesenzeventig is hij. Hij heeft nog gevangen voor de poelier. Een knappe bijverdienste was dat.

Vlak na de oorlog.

Hij zat op de molen van Huins (en daar zit hij nóg). Twee koeien op stal. Beetje mollenvangen, beetje achter de bunzings aan, nu en dan een fuikje zetten, ach stropen moet je het maar niet noemen.

Zo leefde hij toen en hij was werkelijk niet de enige die toen zo leefde.

Voor de bediening van de molen en het hekkelen van twaalf kilometer sloot betaalde het waterschap 600 gulden 's jaars. Voor een goudplevier kreeg je tussen de 35 en 75 cent, zeg twee kwartjes. Zeshonderd goudplevieren en je had 300 gulden bijelkaar. In de winter! Als het leven het duurst was. Als er verder niks te verdienen viel.

Of, als je teruggaat naar het begin van de eeuw... een dagloner of vissersknecht beurde acht tot tien gulden in de week en ook toen deden goudplevieren twee kwartjes... twintig stuks en je had een weekloon.

Bij dergelijke prijzen praat je over een luxeprodukt. In Friesland zelf werd nauwelijks goudplevier geconsumeerd. Vrijwel de hele vangst werd geëxporteerd, met name naar Engeland.

Zeker in de Zuidwesthoek was de wilsterflapperij een wijdverbreid bedrijf. Tot het laatste streepje daglicht gingen de mannen door. In het koude donker hoorde je dan het raspen van hun klompen in de straten en steegjes van Workum. Van alle kanten naar de poelier, waar de jutezakken werden leeggeschud. Bérgen goudplevieren hoopten zich op naast de toonbank. Tegen contante betaling.

De vogels werden, in het veld, direct na de vangst gedood met de tanden. Posthumus had er zo'n mooie hoektand voor. Hier, boven dit nekwerveltje. Of, als je niet vies was van bloed aan je mond, dan kraakte je gewoon het schedeltje.

Ja, waarom ook niet?

Vooropgesteld dat het een efficiënte manier van doden was, is het dan niet eerlijker om je eigen tanden te gebruiken dan een of ander afstandelijk voorwerp?

En nog steeds, als het nodig is. Want het komt voor dat vogels gewond raken, zachtzinnig is zo'n slagnet nou eenmaal niet, en dat je ze uit hun lijden moet verlossen.

Je eigen tanden, die je altijd bij je hebt.

Durk Posthumus heeft 't nooit anders gedaan.

Joop Jukema heeft het geleerd.

Joop Jukema, 54, landbouwer te Oosterbierum. Pootaardappels zijn zijn andere passie.

De vogels die door Posthumus worden gevangen, worden door Jukema geringd, gemeten en gewogen (rond 200 gram). Veel zijn het er niet, vandaag. Eén voor één komen ze binnendruppelen. Zelfs van een groepje van negen, dat door de wilsterfluit wordt aangetrokken, komt er maar één in het net. Wat de oude Posthumus aanleiding geeft tot een greep uit zijn geheugen.

Er waren eens een paar gereformeerde kooplieden met een bouvier in het veld. Ze bleven bij hem staan kijken en daar kwam een vlucht goudplevieren aan. Van de zeventien ving hij er zestien. 'Eén bleef er over om het hun aan te zeggen', hadden die kooplieden toen min of meer plechtig opgemerkt.

De doorgewinterde wilsterflapper weet precies uit welke hoek de wind waait. Hij houdt rekening met de lengte van het gras. Hij heeft de beschikking over een stuk of twintig stelten, dode lokvogels, vangstslachtoffers uit voorgaande jaren, waarvan de huid wordt opgestopt en op een houten pen gezet. Hij heeft bovendien de beschikking over twee wiuwen, levende lokvogels op een wip, het zogeheten wiuwizer, dat wordt bewogen met de wiuwline.

(Op dit punt is de Fryske Akademy zo vriendelijk te bevestigen dat 'wiuw' in verband kan worden gebracht met het Hollandse wuiven. De 'wuif' dus. De wuif op het wuifijzer dat wordt bewogen met de wuiflijn).

Stelten en wiuwen samen moeten de indruk wekken van een gezellig kluitje goudplevieren, waarbij passanten zich maar wat graag willen aansluiten.

De plaatsing van stelten heeft de wilsterflapper geheel in eigen hand, het fladderen van de wiuw maar gedeeltelijk. Soms wuift een wiuw zo ongemakkelijk, zo lusteloos, zo doods, dat goudplevieren eerder zullen concluderen dat het daar niet pluis is. Zo één moet je zo gauw mogelijk kwijt. Tegenwoordig doet trouwens ook een goeie wiuw maar één dag dienst. Als het wilsterspul wordt opgeborgen, krijgt een wiuw (enigszins vermagerd en met een lichte ontvelling aan de pootjes) de vrijheid. Van elke vangdag worden twee goudplevieren achtergehouden voor de volgende.

Vroeger kon een wiuw het de wilsterflapper zo naar de zin maken, dat hij met wormen en paardenvlees een heel seizoen in leven werd gehouden. Vroeger gebeurde het ook wel dat, in weerwil van het wettelijk verbod, kieviten als wiuw werden gebruikt. Door vorm en kleur van de vleugels wuift een kievit altijd opvallender.

Maar ook de beste wiuw fladdert vergeefs als er geen goede wilsterflapper aan de touwtjes trekt.

Hij is volledig gefixeerd op goudplevieren. Zet hem op een wereld die bedolven is onder de vogels en hij reageert uitsluitend op goudplevieren. Hij herkent ze bij de eerste vleugelslag, hij hoort alleen dat ene roepje. En hij moet natuurlijk fluitsje kinne. En dan nog - dan nóg heb je geen enkele garantie voor een behoorlijke vangst. De condities mogen ideaal zijn, als de goudplevieren niet willen, dan willen ze niet. Een wilsterflapper waagt zich niet aan voorspellingen.

Posthumus: “Het blijft altijd: wie zal het winnen - jij of ik?”

Jukema: “De kou die je lijdt, de tegenslagen die ondervindt. De knorrigheid van moeder de vrouw, de hoon van de kinderen. Al werd je in goud betaald, je zou het geen dag volhouden als die drang er niet achter zat, die drang om wilsters te vangen.”

Deze Jukema staat met zijn ene been in de klei van een traditioneel handwerk en met het andere in de galerij van modern wetenschappelijk onderzoek. Als selfmade ornitholoog heeft hij verscheidene publicaties op zijn naam staan. Hij heeft sensationele dingen ontdekt.

In de jaren '60 begon de drang tot wilsterflappen danig te verflauwen. In '76 werd het doden van gevangen goudplevieren verboden. Je haalde ze uit het net, keek ze even aan en liet ze dan maar gaan. Wilsterflappen was een vrijetijdsbesteding geworden.

Het was Jukema die er weer een doel aan wist te geven: grondig onderzoek naar de herkomst en de mortaliteit van in Nederland doortrekkende en overwinterende goudplevieren. Verschillende wilsterflappers bijeen verschaffen hem gegevens over circa 2.500 goudplevieren per jaar. Dat is ondertussen al vijf jaar gaande en zal nog jaren worden volgehouden. Zulke aantallen en die langdurigheid maken zo'n onderzoek eigenlijk vanzelf al tot iets bijzonders.

Ooit was de goudplevier in ons land ook als broedvogel bekend. Uitgestrekte heidevelden en hoogveengebieden vormden zijn thuis. Tot het midden van de jaren '30.

Nu ligt, van ons uit bezien, het hele broedareaal van de goudplevier in het noorden en noordoosten. Of binnen dat areaal onderscheid moet worden gemaakt tussen een zuidelijke en noordelijke ondersoort, is een vraag die de deskundigen verdeeld houdt. Jukema meent van wel. Hij heeft de omschrijving van dat onderscheid verfijnd door eindeloos borstveertjes te rubriceren. Hij heeft er in ieder geval een ongelooflijk getraind oog voor goudplevierenveertjes van overgehouden.

De noordelijken hebben alleen zwart en wit, de zuidelijken hebben zwart, wit en geel. Gaandeweg raakte Jukema geboeid door nog weer een ander type veertje: het geelgestreepte. Eerst bezag hij dat in het licht van die ondersoortenkwestie. Maar uiteindelijk bleek dit veertje in alle populaties voor te komen.

In het begin van het broedseizoen is de goudplevier een opvallende vogel. Zwarte borst met witte bies, dat contrasteert enorm. Dan, tegen de tijd dat de jongen uitkomen, wordt dat contrast gebroken door die speciale veertjes. Het is het geelgestreepte veertje dat de goudplevier in de toendra de nodige dekking geeft.

Dus dat een vogel voor zo'n korte periode, enkele weken maar, en met zo'n specifieke bedoeling een afzonderlijk veertje produceert - zoiets was nog niet eerder vastgesteld.

In de late namiddag van 31 januari 1981 zag Joop Jukema een groep van ongeveer tweehonderd goudplevieren op het wad ten westen van Bildtpollen bij St. Jacobiparochie. De vogels maakten op hem een uitgesproken donkere indruk. Toen schreef hij dat toe aan de lichtval. Later kreeg hij een andere, opzienbarender, verklaring aangereikt.

Oude wilsterflappers verhaalden over de vangst van goudplevieren die in vakkringen lytse swarte werden genoemd, kleine zwarte.

Deze waren aanzienlijk kleiner dan gewone goudplevieren. Je kon ze met verbazend gemak door de mazen van het net halen. Ze voelden zacht, compact en mollig aan. Ze waren in feite moddervet.

(Gewone goudplevieren konden in hun eigen vet gebraden worden. De smaak van die kleintjes werd daar bedorven van, tranig. Bij Syp Smid in Hindeloopen werden ze daarom maar onder de grill gelegd. Bij Hendrik Veenstra in Heeg werd het overtollige vet er eerst afgesneden, en naar buiten gegooid voor de spreeuwen).

Ze hadden bovendien een veel contrastrijker winterkleed - de rug royaler dan normaal besprenkeld met goud, de buik opvallend donker, zo donker zelfs dat je zou denken dat het vuiligheid was, dat ze zojuist nog in het slijk hadden gezeten.

Ook hun manier van vliegen was anders: in dichte groepen, onstuimig en wendbaar, soms met z'n allen rakelings over de grond.

Ze reageerden goed op de fluit.

De lytse swarte kwamen niet voor de winter uit, maar erachteraan. Drie, vier nachten vorst - dan waren de gewone goudplevieren hoog en breed vertrokken en dan kwamen die wonderlijke kleintjes nog. Het ijs al op de sloten, het schaatsen al begonnen, dan vlogen die nog in het net. Zo markeerden ze het slot van het wilsterseizoen.

Omdat ze zo snel en wendbaar waren, waren ze moeilijk te vangen. Maar als je ze ving, ving je er doorgaans een heleboel tegelijk. Omdat ze zo dicht bij elkaar bleven.

Voor de oorlog waren ze zo gewoon, dat er nauwelijks aandacht aan werd besteed. Daarna werd het snel minder.

Hette Couperus in Hindeloopen ving er 145 op de 10de december van 1955 of '56.

Syp Smid, die ze uiteindelijk zou grillen, ving er 133 op een dag kort na de kerst van 1972 of '73.

Joop Jukema gelooft nu dat hij er op 31 december 1981 nog tweehonderd heeft gezien op het wad bij St. Jacobiparochie.

Hij heeft al die verhalen zorgvuldig geïnventariseerd en onderzocht. Hij heeft aannemelijk gemaakt dat die lytse swarte vertegenwoordigers zijn geweest van een geheel eigen soort, de kleine goudplevier, die heden ten dage als puur Aziatisch te boek staat. Broeden in Siberië, overwinteren op eilanden in de Stille Oceaan, non-stop vluchten van meer dan 7.000 kilometer, wat ze ergens aan de top brengt van het klassement van trekvogels, wat in ieder geval een verklaring biedt voor hun vetvoorraad.

Als je je de plattegrond van de wereld voor de geest haalt, is het haast onvoorstelbaar dat zich van deze hoofdstroom ooit een tak heeft losgemaakt om over Friesland te vliegen.

Dat moet een populatie zijn geweest met een volledig eigen overwinteringsstrategie.

Spoorloos verdwenen.

Behalve in de herinnering van wilsterflappers.

Ook Durk Posthumus heeft ze nog meegemaakt, die kleine goudplevieren. Omstreeks 1950. Half december, rijp op het gras. Toen hij het slagnet in gereedheid bracht, verwonderde hem het vlieggedrag van een groepje wilsters. Beweeglijk en nerveus. Even later had hij er uit dat groepje een stuk of twaalf, vijftien gevangen. Zo klein waren ze dat ze, als je er niet gauw bij was, zelf door de mazen van het net kropen. En donker aan de onderkant, net of ze uit de as kwamen.

Een halve eeuw geleden.

Zo vervliegt de tijd.

Aan het eind van de middag begint een wilsterflapper zijn spullen op te bergen in de wilsterkist. Touwtjes en houtjes, alles op de beproefde manier. De vertrouwde plek. Denk je eens in: de traditie van zo'n kist, de kleine regionale variaties op het vaste stramien, en op die variaties de eigengereide verbeteringen van elke wilsterflapper afzonderlijk.

Het windscherm wordt afgebroken, het zeildoek opgevouwen, op de deksel gebonden en verankerd met de grond. Zo blijft de kist in het weiland achter, in afwachting van de volgende keer.

Ja, de drang van het wilsterflappen, die zelfgewilde spanning die haar hoogtepunt bereikt in een vlucht goudplevieren, opgeroepen door de fluit, aangegrepen door de stelten en een wiuw. Een paar strijken er al neer, een paar vliegen er al door, maar de rest aarzelt nog, kan nog beide kanten op.

Nog één moment.

Nog één moment en je vangt er dubbel zoveel.

Of nog één moment en je vangt er niet één.

Moment dat telt - dat moet het zijn.

    • Koos van Zomeren