Een wispelturig rijtje; Rechtgezet gebit leidt een eigen leven

Slechts twee procent van de bevolking is van nature uitgerust met een ideaal gebit. Wanneer de hulp van de orthodontist ingeroepen? Het is moeilijk precies vast te stellen wat esthetisch nog wel en wat niet meer verantwoord is.

WIE OP ZIJN achttiende dankzij een beugel een keurig geordend gebit heeft, mag er niet zonder meer op rekenen dat het over twintig jaar nog recht staat. Tanden en kiezen die door de orthodontist op een rijtje zijn gezet, hebben de neiging na verloop van jaren weer scheef te gaan staan.

Zonder 'fixerende' maatregelen loopt een orthodontistische behandeling in vijftien tot twintig procent van de gevallen ook op hoofdlijnen op een mislukking uit. Dat hoeft niet het gevolg te zijn van onzorgvuldigheid, gebruik van verkeerde technieken of onvoldoende medewerking door de patiënt. Zelfs de meest vakkundige orthodontist kan geen garantie bieden op succes, omdat groei en ontwikkeling van gebit en aangezicht na beëindiging van de behandeling (vaak zo rond het vijftiende levensjaar) nu eenmaal uiterst moeilijk te voorspellen zijn.

Orthodontisten vestigen de laatste tijd steeds meer aandacht op de lange-termijnresultaten van beugelbehandelingen. Dat wordt urgenter, want het eigen gebit moet steeds langer mee. Niet alleen omdat mensen ouder worden, maar ook omdat vrijwel iedereen de stap naar een kunstgebit zo lang mogelijk wil uitstellen.

Dr. R.B. Kuitert, orthodontist aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA), een samenwerkingsverband van de twee universiteiten van de hoofdstad, onderzoekt de stabiliteit van orthodontische behandelingen op langere termijn. Uit zijn onderzoek blijkt dat mensen die alleen op hoofdpunten zijn behandeld, op den duur vaak even goed af zijn als mensen bij wie elk tandje is rechtgezet. Gemiddeld gesproken is de laatste groep iets beter af, maar niet meer dan dat.

Kuitert: “Meestal lukt het wel de ergste wanverhoudingen van kaak en gebit ook voor de lange termijn weg te nemen, maar veel minder eenvoudig is het om de stand van individuele snij- en hoektanden voor langere tijd te verbeteren.” Het is volgens hem vooral lastig om scheve ondertanden blijvend recht te zetten: “In zeven tot acht van de tien keer staan de tanden na tien tot twintig jaar weer scheef.” Van terugkeer naar de uitgangspositie is echter lang niet altijd sprake. De tanden blijken soms ook onder hoeken tegenovergesteld aan die voor de behandeling te gaan staan. “Overigens”, merkt Kuitert op, “treedt ook bij niet-orthodontisch behandelde gebitten in de loop der jaren vaak verandering in tandstand op. Mensen die op hun achttiende van nature een goede tot zeer goede tandstand hebben, vertonen als ze 30 of 35 jaar zijn in de meeste gevallen een aantal onregelmatigheden.”

TEGENGAS

Duidelijk is dat behoud van het behandelingsresultaat intensief onderhoud vergt. Soms is levenslang een beugeltje nodig om de bij de behandeling bereikte resultaten te behouden. Sinds kort is het bijvoorbeeld en vogue om bij mensen die voor de beugelbehandeling een schots en scheef ondergebit hadden, permanent een dun draadje aan de binnenkant van de ondertanden te bevestigen. Of om hen een aantal nachten per week een plaatje in de mond te laten dragen. Kuitert: “Eigenlijk geeft de orthodontie met zulke kunstmatige ingrepen tegengas tegen een natuurlijk proces. De vraag is of (en hoe lang) je dat straffeloos kunt doen. Wat voor gevolgen heeft het voor de gezondheidstoestand van het gebit, wat gebeurt er bij de wortels en het tandvlees? Daarover is nog niet veel bekend.”

Volgens Kuitert zou het in sommige gevallen beter zijn om op latere leeftijd met de orthodontiebehandeling te beginnen. Maar het op jonge leeftijd behandelen heeft ook voordelen. Kuitert: “Bij de behandeling worden kleine krachten uitgeoefend op de tanden die doorwerken op de wortels. De wortelvliezen zorgen voor nieuwe aanbouw van bot en merg aan de kant waar geen druk is en voor afbraak aan de kant waar de wortel op de kaak drukt. Zo verplaatst het element zich langzaam. Dat gaat makkelijker als iemand nog jong is. Ook kan als een kind nog in ontwikkeling is met grotere krachten - een 'buitenboordmotor' bijvoorbeeld - de kaak in zijn geheel worden verplaatst. Bovendien willen die kinderen en hun ouders zelf niet zo lang wachten. Met twaalf, dertien jaar gaan ze het uiterlijk belangrijk vinden, en dan willen ze natuurlijk niet met scheve tandjes blijven lopen.”

Hoe het ideale gebit eruit ziet, staat voor orthodontisten al sinds jaar en dag vast: de boventanden moeten zo'n 2 mm voor de ondertanden staan en de ondertanden in verticale zin zo'n 1mm bedekken. De hoektanden en kleine kiezen van het bovengebit staan met hun toppen precies in de dalen achter de overeenkomstige kiezen en tanden in de onderkaak. En de bovenkiezen staan een stukje buiten de onderkiezen, zodat de binnenknobbels van de bovenkiezen precies in de groeven van de onderkiezen passen. Zo functioneert het gebit op zijn best: als een molensteen. De slijtage blijft dan meestal beperkt, de kans op gaatjes of kaakklachten is het kleinst.

Helaas is maar zo'n twee procent van de mensen van nature uitgerust met het ideale gebit. Bij maar liefst zestig à zeventig procent van de Nederlanders staan de onderkaak en ondertandboog ten opzichte van de bovenkaak en boventandboog te ver naar achteren. Andere veelvoorkomende afwijkingen zijn de diepe beet - de voortanden staan te diep over de ondertanden - en de tegenhanger ervan, de open beet. En natuurlijk komt het regelmatig voor dat een tand scheef staat - of dat alle tanden schots en scheef staan.

Kuitert: “Natuurlijk hoeft niet de 98 procent die van het ideaal afwijkt, massaal aan de beugel. Wie een marginale afwijking heeft en geen problemen bij het kauwen, kan best zonder. En voor de extreme gevallen, waarin de ontwikkeling van gebit en kaak ernstig is ontspoord, is vaak al snel duidelijk dat behandeling gewenst is. Maar het grijze schemergebied ertussenin levert problemen op. Het is moeilijk een scherpe grens te trekken tussen wat esthetisch nog wel en wat net niet meer verantwoord is. En het is moeilijk te voorspellen welke afwijking zonder behandeling schadelijk of nadelig zal zijn voor levensduur en kwaliteit van het gebit.”

DIEPE KLOOF

De grens verschuift voortdurend. Afhankelijk van de mode - in de jaren tachtig moest iedereen het gebit perfect in het gelid hebben, nu wordt dat door sommige jongeren en hun ouders als onnatuurlijk beschouwd - maar ook omdat men zich steeds meer verdiept in het lange-termijneffect van de behandeling.

Nu duidelijk wordt dat veel van de gebitjes na verloop van tijd weer scheef gaan staan, lijkt de vraag gerechtvaardigd of het streven naar perfectie de moeite loont van een paar jaar beugelleed en alle kosten die erbij komen kijken. Als je het de patiënt vraagt wel, zo blijkt uit een ander onderzoek dat Kuitert met collega's deed. Aan een onderzoeksgroep van honderd mensen, onder wie veel (voormalige) studenten, werd de vraag voorgelegd hoe tevreden men was over het eigen gebit: op het moment van enquêteren (tenminste vijf jaar na de behandeling), vlak na de behandeling en voor de behandeling.

De uitkomst was verrassend: er bleek een diepe kloof te zijn tussen de waardering van de patiënt voor het eigen gebit en het oordeel van specialist. Terwijl bij bijna iedereen de gebitstoestand objectief gezien was verslechterd ten opzichte van die direct na de behandeling, gaven de patiënten aan nog vrijwel even tevreden te zijn over het resultaat. Voor de oude afwijking zou 78 procent zich opnieuw laten behandelen, slechts 7 procent gaf te kennen voor de huidige afwijking behandeld te willen worden. Zelfs in die gevallen waarin de gebitstoestand volgens de specialisten slechter was dan vóór de behandeling (17 procent), gaf een meerderheid aan behandeling nu niet nodig te vinden. Misschien is het uiterlijk na de adolescentie - en na het vinden van een levenspartner - wat minder belangrijk geworden.

    • Karin Mössenlechner