De zorg is gratis, maar de wachtkamers vol en vuil

Is de Nationale Gezondheidsdienst in Groot-Brittannië vitaler dan ooit of rijp voor het infuus? Balans in de nadagen van het Conservatieve tijdperk.

LONDEN, 9 NOV. Dinsdagmiddag op de kinderafdeling van het Middlesex-ziekenhuis in Twickenham. Een wachtkamer vol kapotte stoelen en blèrende baby's. De zwetende verpleegster is al twee keer binnengestoven om de verlate dokter te excuseren. Als hij eindelijk arriveert blijkt de wachtkamer ook als behandelkamer te moeten dienen. Op hoge toon eist de dokter ten minste een kamerscherm om zich aan de priemende ogen te onttrekken. Ook wil hij een bureaulamp omdat hij de aders van de zuigelingen anders in de schemer niet kan vinden. De arm van de lamp is lam zodat de verpleegster als taak krijgt om hem vast te houden. Elke keer als ze hem loslaat, zwiept de arm achter het kamerscherm vandaan.

Een doordeweekse dag in het St. Thomas's Hospital, recht tegenover het parlementsgebouw in Londen. Op de begane grond glimmende tegels en kunst aan de muren. De twaalf verdiepingen steken daar schril bij af met hun slechte verlichting, vervuilde vloeren en piepende bedden. Sommige patiënten liggen op een brancard in de gang omdat er op de zaal voor hen geen plaats is. Een broeder maant twee moeders voortaan voedsel voor hun zieke kinderen mee te nemen. “Omdat het eten in dit ziekenhuis werkelijk niet te vreten is.”

Sandy Macara, voorzitter van de British Medical Association (BMA), zei bij de vijftigste verjaardag van de National Health Service (NHS) deze week nog dat het Britse gezondheidsstelsel “in een diepe, diepe crisis” verkeert. Daarbij doelde hij niet op taferelen zoals in het Middlesex-ziekenhuis en het St Thomas's Hospital. Britten zijn niet anders gewend dan volle wachtkamers en medische apparatuur uit de beginjaren van het industriële tijdperk. Ze prijzen zich gelukkig met de kundigste dokters en de meest toegewijde verpleegsters van de wereld. Ze zijn ervan overtuigd dat de Britse gezondheidszorg in Europa haar weerga niet kent.

Daar hebben ze gelijk in als het om structuur en bekostiging gaat. Sinds 1946 kan iedere Brit zich koesteren in de weelde van gratis medische zorg. Meer dan één miljoen gezondheidsbeambten worden grotendeels betaald uit de belastingopbrengst. Individuele bijdragen en sociale premies spelen een marginale rol. Nergens in de Westerse wereld hoeven burgers zo weinig voor de medische zorg te betalen als in Groot-Brittannië. Nergens zijn de kosten zo gering. Britten besteden 7,1 procent van hun bruto binnenlands produkt aan de medische sector, tegen Nederlanders 8,7 procent en Amerikanen 14,1 procent.

Pag.5: 'Health Service gaat als Titanic ten onder'

Het Verenigd Koninkrijk kent volgens een vergelijkend onderzoek van de Oeso, de organisatie van geïndustrialiseerde landen, niet meer zieken en ziektes dan andere welvaartsstaten. De gemiddelde leeftijd waarop de mensen sterven ligt nauwelijks lager dan in Duitsland of Japan. Maar die geruststellende feiten kunnen BMA-voorzitter Macara niet weerhouden van de alarmerende voorspelling dat de National Health Service “als de Titanic ten onder dreigt te gaan”. “Overbelast, onderbemand en ondergefinancierd.” Zo omschrijft hij de trots der natie. Tweederde van de 98 regionale gezondheidsdiensten waarin de NHS is opgedeeld, rekenen op een financieel tekort volgend jaar. Zesendertig ziekenhuizen stevenen al dit jaar af op rode cijfers. De enige manier waarop ze een financiële catastrofe kunnen afwentelen, is door het annuleren van operaties, het afstoten van bedden of het sluiten van hele afdelingen.

Ziekenhuizen in Londen, Liverpool en Birmingham hebben al aangekondigd dat ze dit jaar geen niet-urgente operaties meer uitvoeren. Patiënten die zich willen laten steriliseren of hun spataders willen laten verwijderen, moeten voor onbepaalde tijd wachten. Een 62-jarige man die voor prostaatkanker zou worden geholpen, kreeg na tien uitgestelde operaties te horen dat behandeling inmiddels niet meer zinvol is. “In sommige delen van het land is de enige manier om nog in een ziekenhuis te worden opgenomen via een ambulance met loeiende sirene”, zegt directeur John Lister van de belangengroep Health Emergency.

Minister van Volksgezondheid Stephen Dorrell verzekerde zich deze week bij het kabinetsoverleg over de begroting voor komend jaar van een extra 500 miljoen pond voor de nationale gezondheidszorg. Met dat geld kan de grootste nood worden gelenigd. Maar Paddy Ashdown, de leider van de Liberaal Democraten, wees er in het Lagerhuis op dat de NHS “nu een acute noodtoestand is, niet pas volgend jaar”. Premier Major hield vol dat de nationale gezondheidszorg bij de Conservatieven in veilige handen is, terwijl Labourleider Blair beweerde dat de Tories van het instituut een puinhoop hebben gemaakt.

Regeringsleider en oppositieleider bestookten elkaar met statistische gegevens. Sinds de Conservatieven in 1979 aan de macht kwamen, is het NHS-budget reëel met 72 procent tot ruim 34 miljard pond gestegen, zei Major. Nooit eerder hebben zoveel patiënten zo'n veelheid aan behandelingen ondergaan. Daar tegenover zette Blair de lange wachtlijsten, die voor sommige ingrepen meer dan anderhalf jaar bedragen. Hij klaagde over de bureaucratisering van de nationale gezondheidszorg onder de Conservatieven. In de periode 1989-1994 daalde het aantal verpleegsters met 50.000. In diezelfde jaren nam het aantal managers met 20.000 toe.

Volgens Diane Gafton van het Royal College of Nurses, de vereniging van verpleegsters, hebben Blair en Major allebei gelijk. Onder de Conservatieven kreeg de nationale gezondheidszorg de kans zich te moderniseren en adequaat op de groeiende vraag te reageren. Maar sommige vernieuwingen hebben ook voor onrust en schade gezorgd. Of de NHS anno 1996 in een betere of slechtere staat verkeert dan in 1979, toen de Conservatieven het heft in handen namen, kan ze onmogelijk zeggen.

Het meest verbijsterend is misschien wel dat de NHS onder de Tories in wezen zo weinig is veranderd. De partij die een hele natie geprivatiseerd heeft, van gevangenissen tot nutsbedrijven, heeft de grootste staatsonderneming nooit durven aanpakken. Margaret Thatcher maakte er geen geheim van dat zij de NHS als laatste bolwerk van het socialisme graag had willen slechten. Zij zwoer bij de particuliere sector omdat ze plaats, tijd en dokter zelf wilde bepalen. Maar ze was pragmatisch genoeg om die vrijheid niet aan heel de natie op te leggen. Daarvoor was de populariteit van de nationale gezondheidszorg onder het leeuwendeel van de bevolking te immens. Ex-minister van Financiën Nigel Lawson heeft ooit verzucht dat de Britten maar een echte godsdienst hebben: de NHS.

Plannen om de gezondheidszorg te privatiseren of een verplichte ziektekostenverzekering in te voeren kregen in de jaren tachtig onveranderlijk het stempel 'politiek onhaalbaar'. Zelfs invoering van een interne markt durfde Thatcher niet aan. Die tweedeling van inkopers en aanbieders van gezondheidsdiensten kwam pas in de jaren negentig onder haar opvolger John Major tot stand. Volgens BMA-voorzitter Macara heeft “vervanging van een cultuur van zorg door een cultuur van competitie” geleid tot wanhoop en vervreemding in de gezondheidssector. “Dokter keert zich tegen dokter, ziekenhuis keert zich tegen ziekenhuis.”

Maar de efficiëntievoordelen van het marktdenken zijn niet te versmaden, bekennen twee Labourparlementariërs onder vier ogen. Zij vinden dat de bureaucratisering van de nationale gezondheidszorg moet worden teruggedrongen. Maar verder is hun boodschap: “Onder een Labour-regering zag de NHS er niet veel anders uit.”

    • Dick Wittenberg