De twijfels van een oversteekvader

Politiek is, zoals alles in dit leven, een kwestie van projectie. Een goede politicus bezit de vaardigheid om al zijn persoonlijke problemen als maatschappelijke vraagstukken aan de orde te stellen. De eigen frustraties, de intieme angsten, de financiële tegenvallers, de misstappen, voor een parlementariër zijn het allemaal aanleidingen om een wetsvoorstel in te dienen of een commissie in te stellen.

Hoe problematischer het leven van een politicus in elkaar zit, hoe actiever hij dus opereert. Aan gelukkige mensen heb je in de politiek niet zoveel. Die zitten onderuitgezakt in hun zetel, tevreden met zichzelf en de rest van de samenleving.

Voor de kiezer is dit geprojecteer alleen maar interessant als zijn problemen samenvallen met die van de politicus. Een enkele keer gebeurt dat ook. Soms wordt de kiezer namelijk besprongen door het vreemde gevoel dat men in dat verre Den Haag zowaar rekening met hem houdt. Dat is het geval als een parlementariër in zijn persoonlijke leven geconfronteerd wordt met iets waar de kiezer al langer last van heeft. Als de politicus dan in actie komt, spreken we van een valide projectie.

In sociologisch opzicht wordt de kans daarop groter als de volksvertegenwoordiger tot hetzelfde maatschappelijke cohort behoort als zijn kiezer. En als ze daarbinnen ook nog eens tot dezelfde tribe of life-style group behoren is het meer dan waarschijnlijk dat de burger steeds meer van zichzelf in de landelijke politiek gaat herkennen.

Ikzelf kan mij niet aan de indruk onttrekken dat er in Den Haag steeds meer van mijn stambroeders rondlopen. Sociologen van dik in de veertig, die allemaal veel te laat aan kinderen zijn begonnen en nu op het hoogtepunt van hun carrière worden geconfronteerd met een chronisch gebrek aan tijd. Als zij niet arbeiden, jagen ze. Zij racen in hun stationwagons van school naar pianoles, van pianoles naar voetbal, van voetbal naar de orthodontist, van de orthodontist naar oma, en van oma weer terug naar de orthodontist omdat de knuffel daar nog ligt. Tenslotte komen ze met gierende remmen tot stilstand voor de praktijk van de psychiater. Die van de kinderen wel te verstaan. Voor een eigen therapie is er geen gaatje meer over in de agenda. 's Nachts kunnen deze sociologen de slaap niet vatten omdat ze zeker weten alles verkeerd te doen. Zij lijden aan opvoedingsonzekerheid, een kwaal waarvan ze de naam zelf bedacht hebben.

Als ze meer tijd hadden, denken ze, zou het allemaal niet zo erg zijn. Maar die tijd krijgen ze niet omdat hun partner, opgejut door het marktdenken, een eigen onderneming gestart is, en over het verzorgen van de kinderen alleen nog maar keiharde afspraken wil maken.

Het spreekt vanzelf dat de toenemende opvoedingsonzekerheid allerlei angsten oproept en de grootste angst is dat de broekeman uit groep vier te weinig aandacht krijgt en daardoor later alleen nog in een Lubbers Trainingscentrum (LTC) tot de maatschappelijke orde geroepen kan worden. Voor een socioloog die in de jaren zeventig is gevormd een onvoorstelbare blamage.

Gelukkig dus maar dat zovelen van ons emplooi gevonden hebben in de paarse politiek. En dat ze nu met een keur aan politieke initiatieven de eigen schuldgevoelens kunnen bestrijden.

Een recent voorbeeld is de geslaagde aanval op de groepsgrootte in het basisonderwijs. Het cohort Kamerleden met zorgplicht voor kinderen in die leeftijd bleek voor het eerst in de na-oorloogse parlementaire geschiedenis groot genoeg om de regering op andere gedachten te brengen.

Dat het paarse kabinet de roep van de Kamer om meer aandacht voor haar kinderen zo royaal honoreerde, komt ook door de prominente rol van minister Ad Melkert. Als geen ander behartigt hij de belangen van de opvoedingsonzekeren. Drs. Melkert, zelf vader van twee basisschoolkinderen, en tweemaal per week in functie als oversteekvader, kent het klappen van de zweep. Daarom is hij al sinds zijn aantreden in de weer met een wet die de getormenteerde ouder meer lucht moet geven. Hij wil ermee bereiken dat mannen en vrouwen hun loopbaan een poosje kunnen onderbreken om de kinderen beter te leren kennen. In het wetsvoorstel van Melkert wordt daarvoor een betaalde verlofperiode van minimaal twee en maximaal zes maanden ingeruimd. Niet veel op een hele loopbaan, maar het is beter dan niets. Hoe de opvoeding buiten die zorgperiode ter hand genomen moet worden, staat niet in de wet op de loopbaanonderbreking.

Maar Melkert heeft daar wel ideeën over. Deze week installeerde hij namelijk de commissie Dagindeling. Deze commissie van “tien deskundigen op het gebied van werk, mobiliteit, onderwijs, kinderopvang en ruimtelijke ordening” moet onderzoeken hoe aan het “gejaag en gehol van ouders en kinderen” een eind gemaakt kan worden. Dat kan volgens Melkert door afscheid te nemen van de traditionele dagindeling van het 'Brinta-gezinnetje', dat op vaste tijden de door moeder bereide maaltijd gebruikt en gezellig na afloop televisie kijkt. Door dit ideaal van huiselijkheid te blijven najagen, roepen we zelf de problemen over ons af. In de “progressieve maatschappij van de 21e eeuw” is het volgens de minister nostalgische tijdsverspilling waar niemand een stap verder mee komt. Melkert wil naar een dagindeling waarin het contact tussen kinderen en hun werkende ouders zo functioneel mogelijk is.

Laten we hopen dat de commissie slaagt in haar opdracht en met een indeling komt waarin wij ouders de kinderen 's ochtends vroeg in pyama aan een mobiliteitsdeskundige kunnen meegeven. Deze vervoert ze vervolgens zo efficiënt mogelijk langs school, oma, pianoles, voetbal en de buitenschoolse opvang, om ze 's avonds rond negenen gewassen en gevoederd weer in pyama bij ons af te leveren. Wij ruimen dan een kwartiertje in voor een verhaaltje of een ouderlijk advies.

Zo'n dagindeling zou een geweldige rust geven en aan alle opvoedingsonzekerheid een einde maken. Als zoonlief later onverhoopt toch in een LTC opgenomen moet worden, weten we immers zeker dat het onze schuld niet geweest kan zijn.