De onthullende aalmoes

Barmhartigheid, de plicht, de behoefte om arme mensen niet in de steek te laten, is een van de bekendste godsdienstige en politieke verschijnselen. Van de Samaritaan en Sir William Booth van het Leger des Heils tot Marx en de verzorgingsstaat heeft de barmhartigheid de mensen tot historische daden en grote organisaties geïnspireerd.

Dat is één kant van de zaak: die van het geven. Daarover is in de loop der eeuwen die geweldige hoeveelheid literatuur en de rest ontstaan. Maar hoe is het met de ontvangende kant gesteld? Verhoudingsgewijs weten we daar weinig over.

Jaren geleden hebben we een strenge winter gehad (hoogconjunctuur voor de barmhartigheid) die eind januari in lage druk met sneeuwbuien de geest leek te geven. Het had al een beetje gedooid, en toen opeens is de vorst weer ingevallen. De trottoirs, nog bedekt met half gesmolten sneeuw, veranderden in een spekgladde, gebobbelde vlakte. Het was in de buurt van het Weteringplantsoen in Amsterdam. Voor me liep een man op ouderwetse houten krukken. Hij viel. Een van de krukken gleed over de geglaceerde sneeuw meters verder, ruim buiten zijn bereik. Ik snelde de kruk achterna, bracht hem terug en reikte de invalide de hand. Achteraf, denk ik, heb ik daarbij een gezicht van honderd procent barmhartigheid getrokken. Behalve dat de man mank was, had hij ook iets aan zijn stembanden. Door een hagel van schorre vloeken werd ik getroffen. Wat had ik dan moeten doen? De kruk een trap geven, verder de kant van de onbereikbaarheid op, zei iemand aan wie ik het vraagstuk later heb voorgelegd. Ik had het kunnen weten. In Molloy van Samuel Beckett beschrijft de held hoe het Leger des Heils - volgens zijn ervaringen - de gewoonte heeft om de behoeftigen praktisch dood te troetelen, wat op zichzelf nog te verdragen zou zijn als de soldaten daarbij niet hun barmhartigste gezicht trokken. Zo zijn ze door Beckett vereeuwigd.

Bedelaar zijn is geen pretje, vermoed ik, en dat wil ik van tevoren vaststellen. Maar dit gedaan hebbend en me verder niet helemaal theoretisch in het bedelaarschap verplaatsend, opper ik dat er twee kanten zijn. Ten eerste is er het probleem, hoe je de rijken ertoe brengt, hun aalmoes af te staan, en ten tweede, hoe je ze behandelt als ze hun plicht hebben gedaan.

Barmhartigheid, zegt de realistische school, volgt op schuld, en het best is het dan, de schuld op de meest onbarmhartige manier op te wekken. Van de oude Chinese bedelaars gaat het gruwelijk verhaal dat ze een van hun kinderen in een kruik groot brachten. Het kind nam al groeiend de vorm van een kruik aan en vormde zo hun bron van inkomsten. In de Driestuiversopera stuurt Bertold Brecht de koning der bedelaars, Jonathan Peachum, zijn onderdanen de straat op met ooglappen, afzichtelijke prothesen. Ze huren deze accessoires als het ware tegen een deel van het bedrag dat ze bij elkaar bedelen.

Hoe harder de maatschappij, hoe meer bedelaars en daardoor hoe meer concurrentie tussen de behoeftigen onderling. De Amerikaanse maatschappij was harder dan de Nederlandse en dus merkte je dat je vooral in de Amerikaanse grote steden door meer bedelaars harder werd benaderd dan bij ons. Dat verandert. Nederland loopt zijn achterstand in. Op het ogenblik, zou ik zeggen, is het aantal bedelenden in Manhattan en in het centrum van Amsterdam per vierkante kilometer ongeveer gelijk. Ik heb me laten vertellen dat die van Manhattan regelmatig worden afgevoerd, ongeveer volgens de methode Koppejan die dertig jaar geleden in Amsterdam op de provo's werd toepast. Degenen die zich aan gedwongen verplaatsing weten te onttrekken moeten meer op hun hoede zijn, en dus ook scherper kunnen zien wie bereid is de aalmoes af te staan en wie misschien een provocateur van de gemeente is. Het komt erop neer, zo vlug mogelijk de mate van barmhartigheid in de rijke te herkennen. Hoe doe je dat?

Wij zien dat, vertelde een betrouwbare bron, aan de manier waarop ze lopen en kijken. Wie er een snelle, vastberaden tred op na houdt, kijkt meestal wat verder voor zich uit, ziet dan één van ons staan en harnast zijn gezicht. De lafhartigheid waarmee zo iemand ook nog van koers weet te veranderen, is soms onbeschrjfelijk. Je moet mensen hebben die wat langzamer lopen, liefst met hun handen in hun zakken en hun gedachten niet helemaal bij de werkelijkheid. Wat dromerig, zou ik zeggen. Die worden als het ware door de aanblik van onze behoeftigheid overvallen terwijl ze hun kleingeld toch al onder handbereik hebben. Ze doen een greep, tellen niet eens na en storten het bedrag in ons bekertje. Dan zeggen we: Moge God u zegenen. Vaak wordt dat op prijs gesteld, ze krijgen een vriendelijk antwoord en zo zijn beide partijen tevreden.

Maar ontstaat dan niet het gevaar dat dit soort rijken wordt overgeëxploiteerd, uitgebuit zou ik bijna zeggen, zodat ze er of genoeg van krijgen, of dat hun kleingeld op raakt? vroeg ik.

Dat is het eigenaardige. Veel van die mensen geven telkens weer. Daarom worden ze natuurlijk ook door ons uitgezocht.

De oorzaken van het bedelen horen tot de treurigste misstanden, dat weten we allemaal, maar dat is in dit stukje het onderwerp niet. Het gaat erom hoe de rijken aan de bedelaars zichzelf leren kennen. Tegenwoordig kan men zich ook in het centrum van Amsterdam aan een persoonlijk experiment onderwerpen.