Babylonische schrijfklei

Dutch Studies published by NELL. Uitgave van de Stichting Near Eastern Language and Literature. Verschijnt twee keer per jaar, 1996, nummer 1. Donateurs van NELL betalen tenminste ƒ 50,- per jaar. Adres: Oranjestraat 34, 2316 HV Leiden.

IN EEN VAN DE heldendichten ter ere van Shulgi, een Babylonische vorst uit de 21ste eeuw voor Christus, komt de koning uit Ur zelf aan het woord:

Toen ik jong was leerde ik op school

schrijven op de tabletten van Sumerië en Akkadië.

Niemand van adel kon schrijven als ik.

Op de plaats waar men schrijfonderwijs krijgt

leerde ik aftrekken, optellen, vermenigvuldigen en boekhouden.

De rechtvaardige godin Nanibgal Nisaba

overlaadde mij met kennis en begrip.

Ik ben een nauwgezet schrijver wie niets ontgaat!

Over het Oudbabylonische schrijfonderwijs handelt een levendig artikel van de Groningse assyrioloog Niek Veldhuis. Het staat afgedrukt in het nog jonge tijdschrift Dutch Studies, bestemd voor (aankomende) onderzoekers op het gebied van de talen en culturen van het Nabije Oosten: Akkadisch/Sumerisch, Arabisch, Zuidsemitisch, Aramees, Armeens, Phoenicisch/Punisch, Hebreeuws, Perzisch en Turks. Het eerste nummer van de tweede jaargang bevat de neerslag van een half dozijn lezingen die juni 1995 op het lustrumcongres van het Oosters Instituut zijn gehouden, met als thema het begrip 'tekst' in de culturen van het oude Nabije Oosten.

Verreweg de meeste informatie over het Babylonische schrijfonderwijs stamt uit de tijd van koning Samsuilana, circa 1730 v.Chr. Vooral in de stad Nippur (het huidige Nuffar in Zuid-Irak) zijn de afgelopen eeuw duizenden kleitabletten opgegraven (bewaard in Philadelphia, Jena en Chicago) die een fraai inkijkje geven in het curriculum van de Babyloniërs. Uit literaire teksten, die vaak satirisch van toon zijn en hilarisch van inhoud, blijkt dat de meester ummia werd genoemd, een woord waar doorgaans ambachtslieden mee werden aangeduid. Niet verwonderlijk: het netjes kunnen graveren van teksten in kleitabletten was een kwestie van vakmanschap en oefening baarde kunst.

De Oudbabylonische school kende een huiselijke sfeer en had hooguit tien leerlingen, een kwartet per klas was veel. Een aantal, zo merkt Veldhuis op, dat de spijkerschriftleerling van nu vertrouwd zal voorkomen. De tabletten uit steden als Ur, Isin en Nippur vertonen een hoge mate van gelijkenis, wat duidt op staatsbemoeienis. Daar staat een opgegraven privéschool in een woonhuis in Tell-ed-Der tegenover, bewoond door de priester Ur-Utu. Het verschil tussen beide vormen van onderwijs was overigens gradueel. Familieverhoudingen en patronage speelden binnen de Babylonische bureaucratie, die zwaar op de schrijfkunst leunde, een grote rol.

Voor de eerste schrijfoefeningen stond de Babylonische leerling een aantal typen kleitabletten ter beschikking. Begonnen werd met een graveermesje in rechthoekige tabletten de meest elementaire halen te oefenen: verticaal, horizontaal en de u-bocht. Daarna kopieerde de leerling lijsten van 6 à 30 regels die de meester aan de linkerkant van het tablet had gegraveerd. Vaak werd het resultaat gewist en begon de leerling opnieuw. Dus werd de rechterkant van het tablet almaar dunner en de meerderheid van de opgegraven exemplaren is dan ook gebroken. Soms opzettelijk door de meester die zijn voorbeeld wilde bewaren.

Prestigieuzer waren de kleiprisma's, vier- of zeskantig en soms met meer dan 600 regels. Ze hadden in het midden een gat, zodat ze op een stok gestoken konden worden en rondgedraaid. Om thuis iets te kunnen laten zien dienden mooigevormde ronde tabletten met enkele voorbeeldregels met daarnaast de kopie. De meeste waren nooit gewist noch vertoonden ze sporen van hergebruik (oude kleitabletten werden in een waterton bewaard). Dat ook de Babylonische jeugd de aandacht er niet altijd bij had, mag blijken uit balorige handafdrukken in de kleitabletten. Ook zijn in scholen platen met vrouwelijk naakt aangetroffen, maar die waren normaal en ze bevestigen het huiselijke karakter van het schrijfonderwijs.

Wat werd er geleerd? Nadat het alfabet in spijkerschrift was geoefend, stonden lijsten met persoonsnamen op het programma. Het correct kunnen schrijven van namen was voor de aankomende bureaucraat van het hoogste belang: later zou hij vooral zakelijke standaarddocumenten opstellen en alleen aan de namen kon hij zich een buil vallen. Na de namen kwamen de thematische lijsten met Sumerische woorden, gerangschikt naar onderwerp: bomen en houten voorwerpen, huisdieren en wilde dieren, geografische namen, voedsel, enzovoort. Ook maten en gewichten en rekensymbolen werden geoefend, en modelcontracten en zegswijzen.

In de tijd van koning Samsuilana was het Sumerisch al een dode taal. De uitspraak en de vertaling van de lijsten in het Akkadisch (een semitische taal) werd er door de docent bijgeleverd. Dat de leerling in zijn bestaan als ambtenaar maar een gering deel van zijn Sumerische woordenschat zou gebruiken, deed niet ter zake. Waar het om ging was dat hij zich met zijn kennis van het Sumerisch prestige verschafte.

Opvallend in Dutch Studies is de continue aandacht voor computertoepassingen voor de oriëntalist. Die kampt met de meest exotische diakritische tekens en met transcripties van niet-westerse schriftsoorten. Goede software kan veel ellende besparen en door op dit gebied de tekstwetenschapper te hulp te schieten en hem een discussieplatform te bieden, voorziet het tijdschrift in een leemte.

    • Dirk van Delft