Armsten hebben niet direct baat bij vrijhandel landbouw

Volgens de theorie werkt liberalisering van de wereldhandel in landbouwprodukten voedselzekerheid in de hand. Maar in de praktijk blijken daar zoveel haken en ogen aan te zitten dat de FAO alleen voor de lange termijn gegarandeerd positieve effecten ziet. De overgangsperiode brengt sommige landen in de problemen. En het staat niet vast dat iedereen op korte termijn kan profiteren van vrijere handel.

Meer handel is op twee manieren gunstig voor de voedselzekerheid. Het is makkelijker om aan voedsel te komen, en het is makkelijker om geld te verdienen om voedsel te kopen. Landen met produktieproblemen kunnen goedkoper voedsel importeren dan het met veel moeite zelf produceren. De invoer van voedsel heeft het mogelijk gemaakt dat mensen meer en beter te eten kregen. Exporterende landen staan voor minder hoge tariefmuren als ze elders willen verkopen en hebben op de wereldmarkt minder te maken met door subsidies kunstmatige lage prijzen.

Vrijhandel leidt in het algemeen tot hogere inkomens en vergroot daarmee de voedselzekerheid, omdat mensen meer geld hebben om eten te kopen. Maar dat geldt alleen als de bevolking daar in haar geheel van profiteert. Er is ook een scenario denkbaar waarin de armste landen en de armste groepen binnen een land niet de vruchten kunnen plukken van toenemende handel. In Latijns Amerika wordt bijvoorbeeld goed verdiend met voedselexport, maar veel arme groepen zien niets van de winsten daarop en blijven honger houden.

Voor de handel in landbouwprodukten geldt dat met name voedselimporterende arme landen negatieve gevolgen ondervinden van het verminderen van subsidies. De overschotten slinken, waardoor de prijs die moet worden betaald omhoog gaat en er bovendien minder makkelijk voedselhulp in natura wordt gegeven. Er is minder voedsel beschikbaar en het wordt duurder. Zoiets is bijvoorbeeld in de graansector zichtbaar geweest.

Bovendien zien ontwikkelingslanden door vrijhandel regelmatig de opbrengsten uit export dalen. Het is wel makkelijker geworden om te verkopen op de wereldmarkt, maar het brengt minder op. Aangezien veel ontwikkelingslanden in sterke mate afhankelijk zijn van de export van landbouwprodukten komt dat voor hen extra hard aan. Tussen 1975 en 1994 zijn bijvoorbeeld de prijzen voor sisal en thee gedaald met respectievelijk 57 en 45 procent. Een andere factor is de rol van grote voedingsmultinationals. Die kunnen de prijzen manipuleren door kartelafspraken. Verder zijn grote handelsondernemingen die beschikken over eigen magazijnen in staat het prijsniveau te manipuleren door het aanbod vanuit hun magazijnen af te stemmen op de situatie op de markt.

Sommige ontwikkelingslanden klagen dat de tendens naar liberalisering hun minder ruimte biedt voor eigen beleid. Bovendien zijn boycotacties voor sommige landen een teken dat zij niet te veel moeten vertrouwen op de wereldmarkt. In een duidelijke verwijzing naar Amerikaanse boycotacties staat in de slotverklaring: “Voedsel moet niet worden gebruikt als een middel voor politieke en economische druk.”

Overigens staat de liberalisering van handel in landbouwprodukten nog in de kinderschoenen. Sinds de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) in 1948 tot stand kwam, zijn de tarieven op industriële goederen gemiddeld gedaald van veertig naar vijf procent. Maar pas in de Uruguay-ronde, afgesloten in 1994, is een begin gemaakt met liberalisering van de handel in landbouwprodukten. De FAO voorspelt dat de handel in voedsel beperkt blijft en dat voor landbouwprodukten om protectionistische redenen hoge gemiddelde tarieven zullen blijven gelden. (M.L.)