Aquacultuur moet visserij een nieuwe impuls geven

Geef een hongerige geen vis, maar leer hem vissen, is een wat versleten adagium in de ontwikkelingshulp. Het gaat niet meer op, want de grenzen van de visvangst zijn bereikt en in veel gevallen overschreden. De beste groeimogelijkheden liggen in de aquacultuur, de kunstmatige visteelt.

Als een goedkope en betaalbare bron van dierlijke eiwitten is vis van groot belang in de wereldvoedselvoorziening. Maar er wordt zoveel gevist dat die voedingsbron onder druk staat. Meer dan tweederde van de vissoorten verkeert in gevaar.

De visserij is explosief gegroeid. Door betere technieken en het vissen op verder verwijderde visgronden zijn de vangsten gestegen. In 1950 werd nog 20 miljoen ton opgehaald, in 1970 al 65 miljoen ton en in 1993 meer dan honderd miljoen ton. Dat is meer dan verantwoord is. De overbevissing begint haar tol te eisen. De vangsten zijn aan het dalen en liggen nu op zo'n 85 miljoen ton. Overigens wordt ongeveer dertig procent van de vangst verwerkt tot vee- of visvoer.

De lijst van watergebieden die dreigen te worden leeggevist is lang. Bovenaan staan de Zwarte, de Chinese en Gele Zee. Ook in het noordelijk gedeelte van de Atlantische Oceaan, de Noordzee, de Middellandse Zee, de Oostzee, en de Stille Oceaan bij Thailand, Indonesië en Australië is de visstand ernstig in gevaar. Op veel plaatsen voor de kust van ontwikkelingslanden komen plaatselijke vissers in conflict met goed geoutilleerde vissersboten uit de rijke landen. Zo zijn het Europese vissers die de Afrikaanse kustwateren dreigen leeg te vissen.

Pogingen om quota's vast te stellen en afspraken te maken over de grootte van de boten en de netten hebben nog weinig opgeleverd. Vis is niet alleen een voedingsbron, maar ook een verkoopprodukt. Meer dan 120 miljoen mensen leven van visvangst. De minst ontwikkelde landen verdienen zelfs meer aan de export van vis dan aan die van koffie, thee, bananen of rubber. Meer dan hoop op verantwoordelijk visgedrag, hoop die vorig jaar door de FAO is vastgelegd in een gedragscode, is er niet.

De grootste viseters leven in Azië. Bijna 28 procent van de dierlijke eiwitten in het dieet daar komt uit vis. Maar ook voor Afrika is vis belangrijk. Daar zorgt vis voor 21 procent van de dierlijke eiwitten. Daarom bestaat op die continenten de meeste belangstelling voor de kunstmatige visteelt. De schaal loopt uiteen van de vijver bij het dorp tot grote industrieel geleide bassins.

In 1984 kwam nog maar acht procent van de totale visconsumptie uit kweekvijvers. Tien jaar later was dat aandeel al gestegen naar vijftien procent. Voor het jaar 2010 wordt een verdere groei naar meer dan een kwart voorspeld. China is de absolute koploper. Het land produceert meer dan de nummers twee tot en met tien bij elkaar.

Garnalen zijn financieel interessante exportprodukten geworden. In Azië en Europa is de karper de belangrijkste vis in de aquacultuur, met als voordeel dat hij ook geschikt is voor kleine vijvers bij het dorp of zelfs achter de boerderij. Een andere makkelijke vissoort is de tilapia (baarsachtige), die ook wel de waterkip wordt genoemd. Deze vis is afkomstig uit Afrika en heeft zich daarna verspreid in Azië, vooral in China, Thailand en de Filippijnen.

Genetische verbeteringen van deze twee vissoorten hebben de afgelopen vijf jaar geleid tot een produktievergroting met vijftig procent. Daarom voorziet de FAO hiervoor een grote rol in de voedselvoorziening. Maar met name aan de industriële kweekvijvers zit een duidelijke keerzijde. Ze zijn bijzonder kwetsbaar voor ziektes en veroorzaken vaak forse schade aan het milieu. Te veel voedingsstoffen en chemische middelen veranderen de kwaliteit van het water. In veel kustgebieden die als broedplaatsen dienen is daardoor de kwaliteit van het water ernstig achteruitgegaan. De noties die de afgelopen jaren zijn ontwikkeld voor een duurzame landbouw moeten dringend worden toegepast op de visserij. (M.L.)