Altijd overgeslagen

ELKE ZATERDAG komen zo'n honderd Chinese kinderen in de leeftijd van zes tot zestien van heinde en verre naar het IJsselcollege in Zwolle. De Chinese gemeenschap heeft daar zes lokalen gehuurd. Terwijl de kinderen onder leiding van Chinese docenten leren kalligraferen, zit in de gang het achtkoppige bestuur te vergaderen over het reilen en zeilen van de school.

De heer W.C. Ding, in het normale leven restauranthouder in Harderwijk, is voorzitter van dit Chinese schoolbestuur, maar ook degene die zich heeft opgeworpen als woordvoerder op landelijk niveau van de 36 Chinese scholen. Verspreid over het land krijgen wekelijks ruim drieduizend leerlingen les in het Mandarijn en het Kantonees. Een tak van onderwijs die weinig bekendheid geniet en al jarenlang door de Chinese gemeenschap zelf wordt gefinancierd. Voor twintig scholen beloopt dat bedrag al een half miljoen gulden, aldus meneer Ding.

De Zwolse Chinese school bestaat sinds 1992. Vóór die tijd was er in deze stad al eerder een school geweest, maar die werd wegens gebrek aan geld en goed leiderschap gesloten. Dat gebeurt vaker, ook op dit moment verkeert een aantal van de Chinese scholen in het land op de rand van sluiting. De uit ongeveer 60.000 zielen bestaande Chinese gemeenschap heeft zich altijd gekenmerkt door zelfredzaamheid en bescheidenheid. Hoewel ze net als andere allochtone groepen een culturele minderheid vormt, heeft ze zich nooit als 'achterstandsgroep' geprofileerd en al helemaal geen aanspraak gedaan op overheidssubsidies. Het werkwoord 'eisen' lijkt in het vocabulaire van de hier wonende Chinezen niet voor te komen. “We zijn altijd overgeslagen”, zegt meneer Ding op een haast verontschuldigende toon. “Wij wonen sterk verspreid over het land, de meesten van ons hebben eigen restaurants en we helpen elkaar.” Maar wat hem betreft gaat er nu iets veranderen. Niet alleen omdat het in de Chinese horeca minder goed gaat en het vragen van financiële offers steeds moeilijker wordt, maar ook omdat de overheid haar beleid ten aanzien van het minderhedenonderwijs drastisch gaat wijzigen. De Chinese scholen achten de tijd rijp om ook eens een graantje mee te pikken.

In plaats van het Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC) dat voornamelijk op achterstandsbestrijding onder Turkse en Marokkaanse kinderen was gericht en veelal onder schooltijd plaatsvond, moet er nu volgens staatssecretaris Netelenbos een taal- en cultuurbeleid komen waar alle minderheidsgroepen profijt van hebben. Het wetsvoorstel ligt al bij de Kamer.

Een delegatie van de Stichting Chinees Onderwijs met meneer Ding als woordvoerder heeft volgende week een onderhoud met leden van de Tweede Kamer en de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Want aan het wetsvoorstel van Netelenbos zitten nogal wat haken en ogen. Niet het minste probleem is dat er duidelijke eisen gesteld zullen gaan worden aan de kwaliteit van het lesmateriaal en de docenten. Al jarenlang kampen de Chinese scholen met een groot gebrek aan leerkrachten en geld om ze zelf op te leiden was er niet. Uit een onderzoek uit 1992 bleek dat zeker 75 procent geen lesbevoegdheid heeft en volgens meneer Ding staan er zelfs mensen voor de klas die niet meer dan lagere school hebben. Een kwart van de docenten heeft een HBO-niveau of hoger en slechts een minderheid is de Nederlandse taal machtig. Geldgebrek leidt er ook toe dat eigentijds lesmateriaal, dat sinds enige jaren ontwikkeld wordt door onderwijskundige Suk Han Lee, niet aangeschaft kan worden.

Een ander probleem is dat het bedrag van tien miljoen gulden dat voor OETC werd uitgetrokken over veel meer talen verdeeld moet worden en bovendien niet meer door de centrale overheid maar door de gemeenten beheerd gaat worden. Daarnaast moet men samenwerking zoeken met het reguliere basisonderwijs. De besturen van de huidige Chinese scholen zijn doorgaans bemand door mensen die prima een restaurant kunnen runnen en bereid zijn de scholen financieel te ondersteunen, maar weinig kaas gegeten hebben van onderwijsbeleid. “Voorlopig kunnen wij nog niet aan alle eisen voldoen”, zegt meneer Ding, “daardoor zullen we niet erkend worden en dreigen wij als Chinezen weer buiten de boot te vallen.”

Het enthousiasme onder de scholen over de nieuwe plannen is dan ook heel wisselend. Ding: “Sommige besturen vinden dat er te veel eisen worden gesteld en zeggen tevreden te zijn met een kleine subsidie voor de lokalenhuur.” In Zwolle houdt men er echter een andere mening op na. Om de vakbekwaamheid van de onderwijsgevenden te verbeteren heeft men, wederom op eigen kosten, een landelijk bijscholingsproject opgezet waaraan op dit moment ruim veertig docenten deelnemen. Gedurende twee maanden krijgen ze een keer per week les in Chinese schrijfkunst en grammatica, in het gebruik van modern lesmateriaal en het lesgeven aan zeer divers samengestelde groepen. Daarnaast worden de leraren op de hoogte gebracht van de Nederlandse onderwijscultuur, want de meesten hebben geen idee hoe het op de scholen toegaat waar hun leerlingen het grootste deel van hun tijd doorbrengen.

Dit proefproject moet uitmonden in een uitgebreider en van overheidswege gesubsidieerd bijscholingsprogramma voor de komende jaren. De boodschap waarmee meneer Ding en zijn delegatie volgende week naar Den Haag gaat, is wat hem betreft duidelijk: “Voor de Chinese scholen moet een uitzonderingspositie worden geschapen, desnoods via een Algemene Maatregel van Bestuur, want anders zal het Chinese onderwijs niet voor financiële ondersteuning in aanmerking komen en blijft de OALT-regeling een illusie.” En daarbij onderstreept meneer Ding nog eens hoe belangrijk het is dat kinderen van Chinese afkomst de taal van hun ouders leren. “Ouders en kinderen vervreemden van elkaar als ze niet meer met elkaar kunnen praten, ze spreken nu al een soort gebroken mengtaal.”

Als de communicatie tussen ouders en kinderen niet goed is, kan dat een tijdbom zijn in een gezin, zo wordt steeds vaker in de Chinese gemeenschap ervaren. Bovendien is er een economische overweging om de jonge generatie Chinese taal en cultuur bij te brengen, benadrukt meneer Ding. “Nu het met de Chinese horeca minder goed gaat, zullen steeds meer jonge Chinezen werk zoeken in Hong Kong of China. Uit mijn eigen omgeving weet ik dat ze het daar goed doen als ze het beste combineren uit de westerse en de Chinese cultuur.”

    • Michaja Langelaan