Ahaa

Mevrouw Pirkko Pitkapaasi, Fins welvaren, leidt ons, een groepje buitenlandse leraren, geroutineerd rond. Zovelen gingen ons al voor. De Olarin koulo ia lukio, een middelbare school even buiten Helsinki, is een paradepaardje. Moderne architectuur, leerlingen geselecteerd op bèta-aanleg en een studiehuisstructuur.

Als counsellor is het de taak van mevrouw Pitkapaasi met leerlingen te bespreken welke cursussen zij willen volgen en hoeveel lessen zij op school zullen zijn. Een aantal malen tijdens de rondgang door de school was er aanleiding voor de stilzwijgende uitroep: 'ahaa' (Finse spelling).

Het talenlab. Een klein lokaal, plaats voor twintig leerlingen aan kleine kubusvormige tafels. De tafels staan op wieltjes en zijn scharnierend verbonden tot groepjes van vier. Ze kunnen naast elkaar staan of in blokvorm worden gedraaid. Per tafel een koptelefoon en een microfoon. Maar waar zit dat aan vast? Ahaa, goed verborgen elektrische bekabeling verbindt de tafels met elkaar en met een kabinet, waar twintig bandrecorders staan. De docent heeft een computer tot zijn beschikking waarmee hij naar eigen voorkeur leerlingen met elkaar in verbinding kan stellen, opnamen kan maken en bij leerlingen kan meeluisteren of meepraten. In Nederland zijn talenlabs in de jaren zeventig even in de mode geweest. Maar het is nooit wat geworden. Zou het dan toch kunnen, gebruik makend van moderne hulpmiddelen?

Het handicraft-lokaal. Het is er keurig, haast te keurig voor een lokaal waar kinderen moeten werken. Er staan prachtige werkbanken, er is een lintzaag en een draaibank. Is dit handvaardigheid? Nee, er is niets kunstzinnings. Is dit techniek? Nee, er staan in het magazijn geen onbegrijpelijke constructies. Dit is een lokaal werkplaatstechniek. Dan daagt het me, ahaa. Opeens begrijp ik de verwarring bij ouders. “Techniek, handvaardigheid, werkplaatstechniek, dat is toch allemaal met hamers en soldeerbouten dingen maken?” denkt de leek. Nee, dat zijn verschillende vakken. Hoe leg je dat uit?

De eetzaal. Midden in een mooie school is een eetzaal en daaraan grenzend een open keuken. Het eten is lekker, de jeugd aan de tafels naast ons eet op ordentelijke wijze, het is er brandschoon. Hoe krijgen ze het voor elkaar. En dan valt me een detail op, ahaa. Als zo'n leerling, het zijn net zulke types als bij ons, opstaat, dan hangt hij de stoel op een beugel onder het tafelblad: de stoel is op z'n plaats, het ziet er ordelijk uit en de vloer kan gedweild worden.

De wiskundeles. Een jongeman, een onopvallende verschijning, smal, met vest, legt uit. Terwijl hij geleidelijk het bord volkrabbelt, spreekt hij zacht doch duidelijk in prachtige onbegrijpelijke klanken. Zo moet je een les volgen. Als je de taal niet verstaat, is de didactiek veel beter te beoordelen. De leerlingen, derde klassers, hangen aan zijn lippen. Eerst maakt hij nog enkele vergissinkjes, begrijpelijk met de ogen van zoveel buitenlandse collega's op je gericht. Hij wordt zacht door een enkele leerling gecorrigeerd, nee geholpen.

“Eujeujeu”, zegt hij, en dan vliegen vingers omhoog. “Aoh” en dan zegt een van de vingers iets. Dit is een ouderwetse frontale les in een school die zich voor laat staan op zijn studiehuiskarakter, maar het is een goeie. Ik heb wat geleerd van die jonge knul daar in het Noorden. Dagen later in m'n eigen klas denk ik 'ahaa'. Je tempo moet omlaag, je moet langzaam uitleggen, heel langzaam.

    • Rob Knoppert