Zingen onder water; Bij de essays van Hella Haasse

Hella Haasse: Uitgesproken, opgeschreven. Essays, Querido 1996.

Dagboek van de 14-jarige Selma Lagerlöf, vertaald en ingeleid door N.M. Wartena, Ooievaarpocket 89, B.Bakker/Daamen 1958.

Hella Haasse: Zelfportret als legkaart, Bezige Bij 1954.

V.I. van de Wall, Indische landhuizen en hun geschiedenis, Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, 1932.

Poëzie staat hoger aangeschreven dan proza; bij het proza staat de roman op zijn beurt weer boven het essay, terwijl bij de romans het verzonnen verhaal gezien wordt als een hogere kunstvorm dan de historische roman.

In mijn gevoel is dit au fond een religieuze hiërarchie. Het hoogst is de dichter, die de status heeft van heilige. Daarna komt de romanschrijver, die ongeveer de rang heeft van profeet; de essayist is dan een soort priester, een schriftgeleerde, en de schrijver van historische romans is iets daartussenin - beter dan essayist maar toch minder dan een schrijver van fictie - boekstaver van heilige geschiedenissen, evangelist.

Het is een indeling waar ik het vurig mee oneens ben, en niettemin gedraag ik me vaak of ik het ook zo zie: waar ik alle vormen van schrijven op beoordeel, zo denk ik wel eens, is het gehalte aan poëzie. Toch bestaat er wel degelijk zoiets als een romanschrijverstemperament, het talent van wat in de volksmond 'een geboren verteller' wordt genoemd. De merkwaardigste illustratie die van dit temperament bestaat is het meer dan 100 jaar oude Dagboek van de 14-jarige Selma Lagerlöf, een van de wonderlijkste en meest perfecte boeken die ik ken. Wat je er in kunt zien is hoe bij iemand met deze instelling willekeurige gebeurtenissen een romantisch verhaal worden. Je zou zweren dat het allemaal verzonnen is, zo prachtig geconstrueerd is het: een afgemeten dosering van lief en leed, van liefde en dood - maar het is niet verzonnen, het zijn de dagelijkse notities van de werkelijke belevenissen van een meisje van veertien dat in Stockholm logeert; maar op een of andere manier heeft zij een visie waarin alles precies op zijn plaats valt.

Waar berust het op? Het is alsof zij macht heeft over wat gebeurt, maar het is alweer religie. De veertienjarige Selma is overtuigd dat zij God boos heeft gemaakt en dat verklaart alle gebeurtenissen. Het is daarbij zo transparant, omdat het door een kind is geschreven: het onderscheid tussen hoofdzaken en bijzaken, tussen wat eerder moet komen en wat later; het inzicht: als dit, dan dat, vraagstukken van constructie waar elke schrijver mee te maken krijgt, niet in de laatste plaats ook in essays - en dan het niet-facultatieve, de dwang, de obsessie, het meegesleept worden door een gedachte en hoe dicht dat weer bij uitvinden staat. Uitvinden, zoals in de natuurkunde, de wetenschappelijke ontdekking. Een frappant voorbeeld is Lagerlöfs beschrijving - in 1873! - van een vliegtuig, hoe het functioneren ervan haar dagenlang in zijn greep houdt.

Dat is dus niet hetzelfde als het bedenken van verhalen, fictie, waar zij in het dagboek ook over schrijft. Op Woensdag 12 Maart 1873 noteert zij bijvoorbeeld de synopsis van een historische roman; de ontknoping bestaat uit het brengen van een offer (allemaal pure fantasie), waar zij zelf hevig ontroerd door is: 'Ik vind dat zo mooi, zo machtig, dat ik tranen in mijn ogen krijg als ik er aan denk.'

De reden dat ik dit alles beschrijf is dat het onweerstaanbaar de sfeer van Hella Haasses jeugd oproept, zoals beschreven in onder meer Zelfportret als legkaart. Dat is het boek van Haasse dat ik misschien het vaakst heb herlezen, natuurlijk vooral om de Indische jeugdherinneringen, of meer in het bijzonder om de manier waarop die verweven zijn met spelen - zie vooral Hoofdstuk zes - en dat spelen is dan weer een eufemisme voor schrijven: niet alleen de roman maar ook het essay. Zelfportret is beide, en zoniet haar meest onthullende boek (dat is Een gevaarlijke verhouding) dan toch het meest dichterlijke; en dat betekent, zoals wij gezien hebben, het mooiste, want door de mond van de dichter spreken de goden.

Laten wij nu luisteren naar wat die te vertellen hebben, in die prachtige evocatie (als ik denk aan, bijvoorbeeld, het zingen onder water in 'Het oude zwembad Tjihampelas', dan is het of mijn hart moest breken van verlangen):

'Ik weet nog goed hoe ik eens, tijdens een dergelijk spel een eind van de anderen vandaan op een open plek tussen de bomen, plotseling overweldigd werd door een gevoel, hevig als pijn; omdat de tijd voorbijging, omdat deze middaggloed, dit glorieuze spel niet zouden duren; de dag, het bos, het samenzijn met de anderen waren onuitputtelijk, bevatten oneindig meer mogelijkheden dan ik kon opnemen en verwerken, ik was tot berstens toe vol van dit alles en nog had ik er niet genoeg van, nooit - de zon zou ondergaan voor ik mij zat gespeeld had.'

Als ik dat lees overvalt me een gevoel van haast, dan denk ik: vlug, laat mij (terwijl ik in de bevoorrechte gelegenheid ben om het te doen) Hella Haasse vragen om voor de zon is ondergegaan nog gauw een historische roman over Indië te schrijven. Niet zoals Heren van de thee, dat is te groot, te universeel, te ver van mijn bed, maar intiem-Indisch en persoonlijk zoals dat zesde Hoofdstuk en, want het moet toch een echte historische roman zijn, bijvoorbeeld gesitueerd in een van die Oude Hollandsche buitenplaatsen van Batavia waar Van de Wall over heeft geschreven. Ik denk vooral aan het Huis Tjitrap bij Buitenzorg, waar omstreeks 1914 zowaar nog een schilderij van is gemaakt door de schilder Theo van Lelyveld (dat moet een familielid zijn: Haasses gehuwde naam is Van Lelyveld), en waar het Indische leven een eigenheid moet hebben gehad waar we ons nu bijna geen voorstelling meer van kunnen maken. Daarom is het dus urgent dat Hella Haasse er een historische roman over schrijft, en wel een waarin zij ontheven is van dat arbitraire verbod dat zij zich heeft opgelegd: het onhoudbare verbod op nostalgie - en verder, net als in Hoofdstuk zes, tussen de regels tevens een essay over de kunst van het romanschrijven.

Laat mij, om de juiste stemming op te roepen, iets citeren uit wat Van de Wall schreef over Augustijn Michiels, Kolonel titulair der Papangers, beter bekend als Majoor Jantje, een van de laatste bewoners van Huis Tjitrap, ruim 150 jaar geleden:

'Zooals gezegd droeg het landhuis van den Majoor zijn bijnaam 'De Zoete Inval' met eere... Een van de attracties was een corps van een dertigtal muzikanten - volgens Van Doren het muziekcorps der Papangers* - dat gestoken in fantasie-uniformen en getooid met tulbanden, het oor van gastheer en gasten door orkestmuziek placht te streelen. Wij kunnen ons bijna geen begrip meer vormen van de muzikale geneugten op Tjitrap. Daar was dan eerst het huisorkest met Europeesche muziek, dan het Papanger-orkest met militaire muziek, vervolgens het Chineesche orkest met gegil van fluiten en gedreun van bekkens en tenslotte de gamelan met toebehoren. Het tingelen en klingelen van een vijftigtal slaande en spelende huisklokken, die overal in het huis verspreid hingen of stonden, vormde een gelijkwaardige begeleiding van deze dagelijkse concerten. Het feest - er was elken dag feest - vond steeds een pakkend slot in een tandak-partij, welke des avonds in een helverlichte pondok bij het huis plaats vond. Majoor Jantje, in Javaansch costuum, opende dan den dans met een zijner slavinnen, weldra door de gasten in bonte rij met een keur van danseressen gevolgd. Omdat daaronder de schoonste onder de schoonen van des Majoors slavinnen behoorden, mochten slechts ongehuwde gasten aan dezen dans deelnemen. Van Doren verhaalt ons o.a. dat de danseressen nu en dan snel rond draaiden, 'waardoor zich de losse plooien van hare sarong openen en voor een ogenblik kan de schoonheid harer vormen aan het wakende oog niet ontsnappen.'

'Een vijfentwintigtal hupsche slavinnetjes bediende de gasten op bevallige wijze, wien het dan ook aan appetijt niet ontbroken zal hebben. Met groote diners werd een oogverblindende pracht tentoongespreid. Een overdaad van spijzen sierde de tafels, die onder het gewicht van gouden vazen, zilveren kandelaars met vier en vijf branches, flonkerend kristal en allerlei moois dreigden te bezwijken. Bij elke conditie, die de WelEdele Manhafte Heer Majoor en zijn gasten instelde en dat waren er zeer vele, hielden de muzikanten, die gedurende het diner al spelende om de tafel marcheerden, halt. Daarna werd de marsch voortgezet. De gasten zaten van hun kant ook niet stil en huppelden onder de toonen van een vrolijk lied met stoel en al door de zaal.

Het is begrijpelijk dat de Tjitrapsche tafelgewoonten 'waarop die heer (d.i. Majoor Jantje) zeer gesteld was', een bron van vroolijkheid waren en niet zelden eindigden in een dollen galop van gastheer, gasten, muzikanten en slaven.'

*Papangers, naam van een corps inlandse soldaten, (afstammelingen van) vrijgelaten slaven, te Batavia ook Mardijkers genoemd. In 1862 ontbonden.