Westen onderschat ingrijpende veranderingen in Afrika

Europa stuurt dit weekeinde drie ministers naar de crisishaard in Midden-Afrika, maar geen troepen. Volgens J. Abbink moet het Westen meer verbeeldingskracht tonen, en voor dit etnisch zo gepolariseerde gebied nieuwe politieke modellen helpen bedenken.

De crisis in Midden-Afrika duidt op ingrijpende en veelal nog onbegrepen veranderingen op het Afrikaanse continent. Prof. F. Reyntjens maakt duidelijk dat ook de deskundigen geheel in verwarring raken (NRC Handelsblad, 1 november). Zijn emotionele stuk wil 'de schuld' van de huidige humanitaire crisis geheel toeschrijven aan de overwegend door 'Tutsi's' gedomineerde regering van het Rwandese Patriottische Front (RPF), “een banale en gewelddadige dictatuur die het land en de regio recht naar de impasse leidt”. (Ik ben benieuwd hoe hij het genocidale Habyarimana-bewind van 1994 dan noemt). Het stuk is een bijzonder onhistorische en door de waan van de dag ingegeven 'analyse' die men niet van een regio-deskundige als Reyntjens verwacht.

Met veronachtzaming van de recente politieke geschiedenis en geen enkel helder idee over de politieke toekomst van het gebied meent hij nu de ramp in Oost-Zaïre simpelweg te kunnen verklaren door het optreden van het RPF-bewind. Het is hierbij een raadsel waarom Reyntjens de inhoud van het aangrijpende boek van Els de Temmerman over Rwanda (1994), dat hij sterk heeft ondersteund, zo snel kan vergeten. Daarin wordt onder meer de desastreuze politiek van het voormalige bewind aan de kaak gesteld.

Ik wil hier niet het bewind in Rwanda goedpraten, maar er alleen op aandringen de problematiek te blijven plaatsen in een breder perspectief, en niet alleen de korte termijn van de politiek te bekijken. Reyntjens lijkt in zijn behoefte aan partijdigheid de drie hoofdfactoren niet naar hun juiste waarde te schatten: de rol van de Zaïrese autoriteiten, de rol van de internationale organisaties en mogendheden, en het gebrek aan een overtuigend politiek alternatief in Rwanda.

Het Zaïrese beleid heeft zich vanaf het begin gekenmerkt door gebrek aan consistentie, niet verwonderlijk voor een land dat eigenlijk alleen nog op papier bestaat. De komst van honderdduizenden vluchtelingen uit Rwanda heeft Oost-Zaïre vanaf eind 1994 gedestabiliseerd. Zaïre stond aanvankelijk op de terugkeer van de vluchtelingen, maar verleende hulp aan 'Hutu'-moordenaarsbenden in de kampen. Het roofzuchtige optreden van de onderbetaalde en ongedisciplineerde Zaïrese militairen heeft de crisis verhaast.

Een ondoordachte en onnodige politiek was het bedreigen van de sedert twee eeuwen in Zaïre gevestigde gemeenschap van Tutsi-afkomst in het Mulenge-hoogland, sinds jaar en dag Zaïrese staatsburgers. Daarop ontstond een alleszins gewettigde verzetsbeweging ter zelfverdediging, later logistiek geholpen door het Rwandese bewind, en de oorlog was een feit.

De rol van de internationele gemeenschap kent Reyntjens terdege, maar hij stapt te licht heen over de bedroevende staat van dienst van de Verenigde Naties. Deze waren al jaren op de hoogte van de problemen in het gebied, maar bleken politiek, militair en humanitair even weinig slagvaardig als elders.

Niet de rol van Kigali is beslissend geweest voor het escaleren van de crisis, maar eerder die van de gebrekkige VN met een mandaat van niks, en die van de zich halfslachtig inmengende Westerse mogendheden. Zij hebben ook niet kunnen voorkomen dat de Hutu-moordenaars zich na de genocide meester maakten van de kampbevolking in Zaïre - er was bijvoorbeeld nooit sprake van ontwapening.

Hoe is het RPF-bewind aan de macht gekomen? Via een door 'Tutsi's' en gematigde 'Hutu's' (deze termen zijn op zich problematisch) gesteunde opstand tegen een chaotisch, corrupt, anti-democratisch en genocidaal bewind van de 'Hutu'-partij MNRD. De genocide werd feitelijk door het RPF beëindigd, hoewel zij in de maanden daarvoor sterk gehinderd werd door buitenlandse sabotage en niet-gouvernementele organisaties die (naast hun vele goede werk) vaak in de weg stonden en inopportuun riepen om een 'wapenstilstand'.

Vooralsnog is er in Rwanda geen goed alternatief. Terugkeer van een 'Hutu'-meerderheidsbewind zou nog catastrofaler zijn. De staat van dienst van de RPF-regering is zeker niet zuiver: het land kent vele problemen en gewelddadige incidenten. Toch is de vrees voor massale wraak op 'Hutu's' na de genocide niet bewaarheid en er is een goed georganiseerd centraal bewind in Kigali, dat de 'Hutu'-vluchtelingen oproept terug te keren naar Rwanda. Men is bezig met een soort wederopbouw en de noodzakelijke berechting (hoewel traag en onvolledig) van de moordenaars van 1994 is begonnen.

In plaats van de verantwoordelijkheid voor de huidige crisis snel bij de RPF-regering te leggen zou men er beter aan doen het falen van de VN en van een aantal NGO's en Westerse mogendheden (die hun eigen malafide zakenlieden en wapenhandelaren niet in de hand hebben) te benadrukken en een alternatief model voor de staatkundige toekomst van landen als Rwanda voor te stellen.

De crisis in Midden-Afrika is ook een crisis van de 'democratie' in Afrika. De ex-koloniale machthebbers en vele regio-deskundigen worden geleid door te gemakkelijke ideeën van 'democratie op basis van evenredige vertegenwoordiging' in Rwanda. Uiteraard zouden de (getalsmatig veel sterkere) 'Hutu's' dan altijd winnen.

Het probleem is dat dit model in deze nu totaal etnisch gepolariseerde regio nooit een van de kernprincipes van democratie kan garanderen, namelijk respect voor de rechten van de minderheid. Het vaak gehoorde verwijt aan het RPF dat dit de Arusha-accoorden (1993) over hervormingen en verkiezingen niet respecteerde en onder andere daarom met een strijdmacht Rwanda binnenviel, gaat voorbij aan het feit dat de (voormalige regeringspartij) MNRD de accoorden al systematisch saboteerde en het RPF niet toeliet tot een overgangsregering.

Bij veel partijen, vooral de Westerse machten en organisaties, ziet men naast een gebrek aan politieke interesse in het gebied een manco aan verbeeldingskracht over alternatieve modellen (kiesstelsels, verdeelsleutels en quota-regelingen) voor het politieke systeem. Democratie en bescherming van collectieve rechten in Afrika moeten opnieuw worden uitgevonden. Niet dat men het in Afrika niet over de basisbeginselen van democratie eens is; maar in complexe en gepolariseerde verhoudingen is een kant-en-klaar Westers model niet altijd de oplossing.

Weinig analisten realiseren zich voldoende dat Afrika een fase van radicale staatkundige en maatschappelijke transformatie doormaakt: oude koloniale grenzen zijn steeds minder houdbaar, post-koloniale staatsstructuren brokkelen af of fragmenteren in nieuwe, kleinschaliger eenheden, al dan niet legale economieën vervlechten zich, nieuwe elites ontstaan, en geweld is soms onvermijdelijk om nieuwe verhoudingen te creëren.

Het is tijd voor het Westen en voor de internationale gemeenschap om de economische en politieke relaties met Afrikaanse landen opnieuw te definiëren. Het economische gewicht van het Westen (met name van Europa) zal niet verdwijnen, toch is zijn in politiek en moreel opzicht vaak bevoogdende, maar inconsistente rol aan het tanen.