Verhalen als granaat-scherven

Oleg Jermakov: De geur van stof. Vertaald uit het Russisch door Arie van der Ent. Wereldbibliotheek, 208 blz. ƒ 34,50

'Afghaanse verhalen' van de jonge Russische schrijver Oleg Jermakov gaat, uiteraard, over de oorlog die de Sovjet-Unie tien jaar lang voerde tegen het kleine buurland Afghanistan. Het spreekt maar weinig van oorlogshandelingen, overwinningen en nederlagen, of aantallen slachtoffers. Jermakovs interesse gaat vooral uit naar de invloed van oorlog op de menselijke psyche, in welke verhouding beide ook tot elkaar staan. Zijn hoofdpersoon kan daarom zowel een jongeman zijn die twee dagen voordat hij in dienst moet een laatste uitstapje maakt met zijn vriendin, als een veteraan die fysiek en psychisch verminkt op een krantenredactie het hoofd boven water probeert te houden. Tegenover het verdringingsmechanisme van de eerste - hij ontkent niet alleen zijn bijna onvermijdelijke vertrek naar het front, maar ook de realiteit van de Afghaanse oorlog - staat de behoefte van de laatste om door het schrijven over zijn oorlogservaringen deze te neutraliseren; dat zijn verhalen als 'prematuur' niet voor publicatie in aanmerking komen, ontneemt hem zijn toch al geringe kansen op een leefbare toekomst. In andere verhalen gaat het om de voorbereidingen van een jonge vrouw op de terugkeer van haar man - voorbereidingen die uiteindelijk een afscheidsritueel blijken te zijn - of om de herinneringen van een soldaat aan zijn geboortedorp.

De verhalen zijn elkaars aanvulling en commentaar. Wanneer de hoofdpersoon van het ene verhaal behouden terugkeert in zijn vaderland, verwijzen de lijkkisten die met hetzelfde vliegtuig zijn vervoerd naar de fatale brief die in een ander verhaal door de postbode wordt bezorgd. De verbijsterde weduwe uit het ene verhaal doet terugdenken aan de optimistische vrouw uit een ander verhaal, die haar geliefde pas over enkele dagen hoeft af te staan. En het dagdromen van frontsoldaten over het heerlijke leven dat hen na de oorlog wacht, krijgt voor ons, die zojuist hebben gelezen over een veteraan in de geestelijke vernieling, een heel andere dimensie.

Het merendeel van wat dan nog overblijft als 'echte' frontverhalen speelt zich af in de tenten en barakken waar de militairen hun lamlendigheid en verveling proberen te verdrijven met gokken, drinken en onderlinge pesterijtjes. Hier springt de vaak genoemde overeenkomst met de Amerikaanse Vietnamoorlog het meest in het oog: de eindeloze, beschamende, desastreuze schijnvertoning waarin wat een zegenrijke bliksemoorlog had moeten worden, is uitgelopen. Want in de hele bundel valt geen woord over een fraternalistisch doel, een patriottisch ideaal of wat de Russische media nog meer ter rechtvaardiging aanvoerden. Wat rest is een massa volstrekt gedemotiveerde jongens, gedwongen te vechten tegen mensen in wie ze geen vijanden kunnen zien. 'Ze brachten ons naar de steppen, we zagen de tenten, de grijze vlakten en de bergen aan de horizon en gingen er wonen, eten, slapen, marcheren, hepatitis en tyfus krijgen.' Tegenover de inzet en bekwaamheid van de Afghanen stelt Jermakov keer op keer de lamlendigheid van de Russen, die tijdens de slag terugverlangen naar hun kamp met 'badhuis, schone lakens, drie keer eten, brieven, elke avond film, soldij, in de winkel filtersigaretten, oranjemarmelade, koekjes, gecondenseerde melk, Indiase koffie, druivensap'. Prachtig beschrijft hij de gehate zon, de ondraaglijke hitte, het stuifzand dat bloedneuzen veroorzaakt, de 'stroperigheid van de tijd', het soort elementen waar ook de Amerikanen destijds niet tegenop konden. Zelfs de angst vertoont gelijkenis, het is die angst voor een langzame marteldood in Aziatische krijgsgevangenschap: 'Een theelepeltje dood per uur.'

Zoals bijvoorbeeld A Rumor of War van de Amerikaan Caputo draait Afghaanse verhalen om de afbrokkeling van de moraal onder de militairen, hoewel er in het Russische geval van het begin af aan weinig af te brokkelen viel.

Meedogenloos is Jermakov daarbij uiteraard niet over de soldaten zelf, maar over het regime dat zijn burgers opoffert aan een belang dat hen ten enen male ontgaat. Dat hen vooraf in het ongewisse laat over de werkelijke stand van zaken - met vage berichtgeving tracht het de suggestie te wekken dat de Russen in Afghanistan vooral bomen planten en kleuterscholen bouwen - en dat de overlevenden achteraf laat vallen als bakstenen. Veel van Jermakovs lotgenoten is het niet meer gelukt na hun terugkeer de draad weer op te pakken; zij zijn opgegaan in dat nieuwe leger van alcoholisten, zelfmoordenaars en criminelen. Meer gefortuneerden integreren hun ontreddering zo goed en zo kwaad als het kan in een 'normaal' leven. Slechts een enkeling is het gegeven zijn ervaringen in iets positiefs om te zetten. Zoals de hoofdpersoon uit het laatste Afghaanse verhaal: 'Hij zat boordevol oorlogsverhalen, ze zwierven door hem heen als granaatscherven.' Tot die uitzonderingen behoort Oleg Jermakov.